Bron: www.rousseauonline.ch/home.php
Bibliografie van rousseauonline: 1758-augustus 1761, Openbare en Universitaire Bibliotheek van Genève (eerste versie); “Het manuscript met de (gedrukte) definitieve versie van Le Contrat social, is verdwenen.” De Pléiade-uitgave, deel III, p. 1866. Publicatie, Amsterdam, februari-maart 1762, Marc Michel Rey, enz.; de Pléiade-uitgave, deel III, pp. 347-470, 1866-1874. – Du Peyrou/Moultou 1780-1789, quarto-uitgave; deel I, pp. 187-360 (1782).
Copyright: Creative Commons 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/deed.nl)
Vertaling: MIA-Nederlandstalig
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Waarom dit boek?
Het boek beïnvloedde de Verklaring van de rechten van de mens en de burger uit 1789 in de Franse Revolutie en daarmee indirect de latere Universele verklaring van de rechten van de mens (1948), en de Franse grondwet van 1791. (Bron: Wikipedia)
faederis aequas
Dicamus leges
Aeneis, boek XI
Boek 1
1. Onderwerp van het eerste boek
2. De eerste samenlevingen
3. Het recht van de sterkste
4. Slavernij
5. We moeten altijd terugkeren naar een eerste overeenkomst
6. Het maatschappelijk contract
7. De soeverein
8. De burgerlijke staat
9. De reële eigendom
Boek 2
1. De soevereiniteit is onvervreemdbaar
2. Dat soevereiniteit ondeelbaar is
3. De algemene wil is feilbaar?
4. De grenzen van de soevereine macht
5. Het recht op leven en dood
6. De wet
7. De wetgever
8. Het volk
9. Het volk (vervolg)
10. Het volk (vervolg)
11. De verschillende wetgevingssystemen
12. De indeling van de wetten
Boek 3
1. De overheid in het algemeen
2. Het grondwettelijk beginsel in de verschillende regeringsvormen
3. De indeling van regeringsvormen
4. Democratie
5. Aristocratie
6. Monarchie
7. Gemengde regeringsvormen
8. Niet alle regeringsvormen zijn voor alle landen geschikt
9. De kenmerken van een goed bestuur
10. Het misbruik van de regering en haar neiging tot degeneratie
11. De ondergang van het staatsbestel
12. Hoe de soevereine macht zichzelf in stand houdt
13. Hetzelfde (vervolg)
14. Hetzelfde (vervolg)
15. Afgevaardigden of vertegenwoordigers
16. Dat de instelling van de regering geen contract is
17. De instelling van de regering
18. Hoe de machtsmisbruiken van de regering in toom te houden
Boek 4
1. Dat de algemene wil onverwoestbaar is
2. Stemmen
3. Verkiezingen
4. De Romeinse comitia
5. Het tribunaat
6. De dictatuur
7. De censuur
8. Burgerlijke religie
9. Conclusie
Dit korte traktaat maakt deel uit van een omvangrijker werk, waaraan ik destijds ben begonnen zonder mijn krachten goed in te schatten, en dat ik al lang geleden heb opgegeven. Van de verschillende fragmenten die uit het voltooide werk konden worden gehaald, is dit het belangrijkste, en het leek mij het minst onwaardig om aan het publiek te worden aangeboden. De rest bestaat niet meer.
Ik wil onderzoeken of er in de burgerlijke orde een regel voor legitiem en veilig bestuur kan bestaan, waarbij ik de mensen neem zoals ze zijn en de wetten zoals ze kunnen zijn; ik zal er in dit onderzoek altijd naar streven, wat het recht toestaat te verenigen met wat het belang voorschrijft, opdat gerechtigheid en nut niet van elkaar gescheiden zouden zijn.
Ik begin zonder het belang van mijn onderwerp aan te tonen. Men zal mij vragen of ik een vorst of wetgever ben om over politiek te schrijven? Ik antwoord dat dit niet het geval is en dat ik juist daarom over politiek schrijf. Als ik een vorst of wetgever was, zou ik mijn tijd niet verspillen met te zeggen wat er moet gebeuren; ik zou het doen, of ik zou zwijgen.
Als burger van een vrije staat en lid van het soevereine volk geldt, hoe gering de invloed van mijn stem in openbare aangelegenheden ook moge zijn, dat het recht om daarover te stemmen voor mij voldoende is om mij te verplichten mij daarover te informeren. En telkens, wanneer ik over regeringen nadenk, ben ik blij dat ik bij mijn onderzoek steeds weer nieuwe redenen vind om van de regering van mijn land te houden!
De mens is vrij geboren, en toch is hij overal geketend. Sommigen menen de meester van anderen te zijn, maar zijn zelf niet minder slaaf dan zij. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Dat weet ik niet. Wat kan haar rechtvaardigen? Ik denk deze vraag te kunnen beantwoorden.
Als ik alleen naar de macht zou kijken, en het gevolg dat daaruit voortvloeit, zou ik zeggen: zolang een volk gedwongen wordt te gehoorzamen en gehoorzaamt, handelt het juist; zodra het het juk van zich af kan werpen en dat ook doet, handelt het nog beter: want door zijn vrijheid terug te winnen op grond van hetzelfde recht dat het hem heeft ontnomen, heeft het ofwel het recht om die vrijheid terug te nemen, ofwel had men het recht niet om die vrijheid van hem af te nemen. Maar de sociale orde is een heilig recht, dat als basis dient voor alle andere rechten. Dit recht komt echter niet voort uit de natuur; het is dus gebaseerd op overeenkomsten. De vraag is welke overeenkomsten dat zijn. Voordat ik daarop inga, moet ik eerst bewijzen wat ik zojuist heb betoogd.
De oudste van alle samenlevingen en de enige natuurlijke is die van het gezin. Toch blijven de kinderen slechts zolang aan de vader verbonden als zij hem nodig hebben om in leven te blijven. Zodra deze behoefte ophoudt, verdwijnt de natuurlijke band. De kinderen, bevrijd van de gehoorzaamheid die zij aan de vader verschuldigd waren, en de vader, bevrijd van de zorg die hij aan de kinderen verschuldigd was, keren allen in gelijke mate terug naar de onafhankelijkheid. Als zij verenigd blijven, is dat niet langer op natuurlijke wijze, maar vrijwillig, en het gezin zelf blijft alleen bestaan door een overeenkomst.
Deze gemeenschappelijke vrijheid vloeit voort uit de aard van de mens. De eerste wet is te zorgen voor zijn eigen voortbestaan; zijn eerste zorg geldt zichzelf, en zodra hij de leeftijd van het verstand heeft bereikt, wordt hij – als enige rechter over de middelen die geschikt zijn om zichzelf in stand te houden – daardoor zijn eigen meester.
Het gezin is dus, zo men wil, het eerste model van politieke samenlevingen; het hoofd is het evenbeeld van de vader, het volk is het evenbeeld van de kinderen, en aangezien allen gelijk en vrij geboren zijn, doen zij slechts afstand van hun vrijheid ten behoeve van hun eigen welzijn. Het enige verschil is dat in het gezin de liefde van de vader voor zijn kinderen hem beloont voor de zorg die hij hun schenkt, en dat in de staat het genoegen van het heersen in de plaats komt van die liefde die het staatshoofd niet voor zijn volk koestert.
Grotius ontkent dat elke menselijke macht ten bate van de geregeerden is ingesteld: hij geeft de slavernij als voorbeeld. Zijn gebruikelijke manier van redeneren is om het recht altijd op basis van het feit vast te stellen. [“Wetenschappelijk onderzoek naar het publiekrecht is vaak niet meer dan een geschiedenis van vroegere misstanden, en men heeft zich ten onrechte vastgebeten in deze materie door er al te veel aandacht aan te besteden.” Verhandeling over de belangen van Frankrijk ten opzichte van zijn buren, door de markies d’Argenson (gedrukt bij Rey in Amsterdam). Dat is precies wat Grotius heeft gedaan.] Men zou een consequentere methode kunnen hanteren, maar die zou minder gunstig zijn voor de tirannen.
Het is volgens Grotius dus twijfelachtig of het mensdom toebehoort aan een honderdtal mannen, of dat dit honderdtal mannen toebehoort aan het mensdom, en in zijn hele boek lijkt hij de voorkeur te geven aan de eerste opvatting: dat is ook de mening van Hobbes. Zo wordt de menselijke soort verdeeld in kuddes vee, waarvan elk zijn leider heeft, die hem bewaakt om hem vervolgens te verslinden.
Net zoals een herder een hogere aard heeft dan zijn kudde, zijn de herders van de mensen, die hun leiders zijn, ook van een hogere aard dan hun volkeren. Zo redeneerde, volgens het verslag van Philo, keizer Caligula; hij concludeerde uit deze analogie dat koningen goden waren, of dat de volkeren beesten waren.
De redenering van deze Caligula komt neer op die van Hobbes en Grotius. Aristoteles had, eerder dan zij beiden, ook al gezegd dat mensen van nature niet gelijk zijn, maar dat de ene geboren is voor de slavernij en de andere voor de heerschappij.
Aristoteles had gelijk, maar hij verwarde het gevolg met de oorzaak. Iedereen die in slavernij wordt geboren, is voor de slavernij bestemd; niets is zekerder. Slaven verliezen alles in hun ketenen, zelfs het verlangen om te ontkomen: zij houden van hun dienstbaarheid zoals de metgezellen van Odysseus van hun verdoving hielden. [Zie een korte verhandeling van Plutarchus, getiteld: Of dieren gebruik maken van de rede.] Als er dus slaven van nature zijn, dan is dat omdat er slaven tegen de natuur in zijn geweest. Geweld heeft de eerste slaven voortgebracht, hun lafheid heeft hen in stand gehouden.
Ik heb niets gezegd over koning Adam, noch over keizer Noach, de vader van drie grote vorsten die de wereld onder elkaar verdeelden, zoals de kinderen van Saturnus dat deden, die men in hen meende te herkennen. Ik hoop dat men mij deze terughoudendheid zal waarderen; want als rechtstreekse afstammeling van een van deze vorsten, en wellicht van de oudste tak, wie weet of ik bij verificatie van de titels niet de rechtmatige koning van het mensdom zou blijken te zijn? Hoe het ook zij, men kan niet ontkennen dat Adam de heerser van de wereld was, net zoals Robinson dat van zijn eiland was, zolang hij de enige bewoner was; en het handige aan dit rijk was dat de vorst, veilig op zijn troon, noch opstanden, noch oorlogen, noch samenzweerders hoefde te vrezen.
De sterkste is nooit sterk genoeg om altijd de heerser te blijven, tenzij hij zijn kracht in recht omzet en gehoorzaamheid in plicht. Vandaar het recht van de sterkste; een recht dat ogenschijnlijk ironisch wordt opgevat, maar in werkelijkheid als principe is vastgelegd: maar zal men ons dit begrip ooit uitleggen? Kracht is een fysieke macht; ik zie niet in welke moraal uit de gevolgen ervan kan voortvloeien. Toegeven aan kracht is een daad van noodzaak, niet van wil; het is hooguit een daad van voorzichtigheid. In welke zin zou dit een plicht kunnen zijn?
Laten we dit zogenaamde recht even aannemen. Ik zeg dat er alleen maar onbegrijpelijk gebrabbel uit voortvloeit. Want zodra kracht het recht bepaalt, verandert het gevolg met de oorzaak; elke kracht die de eerste overwint, neemt diens recht over. Zodra men straffeloos ongehoorzaam kan zijn, kan men dat ook legitiem doen, en aangezien de sterkste altijd gelijk heeft, gaat het er alleen om ervoor te zorgen dat men de sterkste is. Maar wat is een recht dat ten onder gaat wanneer de macht ophoudt? Als men uit dwang moet gehoorzamen, hoeft men niet uit plicht te gehoorzamen, en als men niet langer gedwongen is te gehoorzamen, is men er ook niet langer toe verplicht. Men ziet dus dat dit woord ‘recht’ niets toevoegt aan de macht; het betekent hier helemaal niets.
Gehoorzaam de gezagsdragers. Als dat betekent: geef toe aan de dwang, dan is het voorschrift goed, maar overbodig; ik antwoord dat het nooit zal worden overtreden. Alle macht komt van God, dat geef ik toe; maar elke ziekte komt ook van Hem. Betekent dit dat het verboden is de dokter te roepen? Stel dat een rover mij bij de rand van een bos overvalt; niet alleen moet ik hem onder geweld mijn beurs geven, maar als ik dat kan verhinderen, ben ik dan naar mijn geweten verplicht die te geven? Want uiteindelijk is het pistool dat hij vasthoudt ook een macht.
Laten we het er dus over eens zijn dat macht geen recht is, en dat men alleen verplicht is om legitieme gezaghebbenden te gehoorzamen. Zo komt mijn oorspronkelijke vraag steeds weer terug.
Aangezien geen enkel mens een natuurlijk gezag over zijn medemens bezit, en aangezien macht geen enkel recht voortbrengt, blijven overeenkomsten dus de grondslag van elk legitiem gezag onder de mensen.
Als een individu, zegt Grotius, zijn vrijheid kan vervreemden en zich tot slaaf van een meester kan maken, waarom zou dan een heel volk zijn vrijheid niet kunnen vervreemden en zich onderwerpen aan een koning? Er zijn hier veel dubbelzinnige woorden die uitleg behoeven, maar laten we ons beperken tot het woord ‘vervreemden’. Vervreemden is weggeven of verkopen. Maar een mens die zich tot slaaf van een ander maakt, geeft zichzelf niet weg, hij verkoopt zichzelf, althans voor zijn levensonderhoud; maar waarom zou een volk zich verkopen? Een koning voorziet zijn onderdanen allerminst van levensonderhoud, maar haalt zijn eigen levensonderhoud juist uit hen, en volgens Rabelais leeft een koning niet op kleine voet. Geven de onderdanen zich dus op voorwaarde dat ook hun bezit wordt afgenomen? Ik zie niet in wat er voor hen nog overblijft om te behouden.
Men zal zeggen dat de despoot zijn onderdanen burgerlijke rust garandeert. Goed dan; maar wat hebben zij eraan, als de oorlogen die zijn ambitie over hen afroept, als zijn onverzadigbare hebzucht, als de verdrukking door zijn bewind hen meer teisteren dan hun onderlinge onenigheden zouden doen? Wat hebben zij eraan als juist die rust, hun ellende is? Ook in kerkers leeft men rustig; is dat voldoende om zich daar goed te voelen? De Grieken die opgesloten zaten in de grot van de Cycloop leefden daar rustig, hun beurt afwachtend om verslonden te worden.
Zeggen dat een mens zich vrijwillig weggeeft, is iets absurds en onvoorstelbaars beweren; een dergelijke daad is onwettig en nietig, alleen al omdat degene die haar verricht niet bij zijn volle verstand is. Hetzelfde zeggen van een heel volk, is veronderstellen dat het een volk van dwazen is: waanzin geeft geen recht.
Hoewel iedereen zichzelf zou kunnen vervreemden, kan hij zijn kinderen niet vervreemden; zij worden als mensen en vrijen geboren; hun vrijheid behoort hun toe, niemand heeft het recht erover te beschikken behalve zijzelf. Voordat zij de jaren des onderscheids hebben bereikt, kan de vader namens hen voorwaarden vastleggen voor hun behoud en welzijn; maar hij mag hen niet onherroepelijk en onvoorwaardelijk weggeven; want een dergelijke schenking is in strijd met de bedoelingen van de natuur en overschrijdt de rechten van het vaderschap. Om een willekeurige regering legitiem te laten zijn, zou het volk dus in elke generatie zelf moeten kunnen beslissen of het deze aanvaardt of verwerpt; maar dan zou deze regering niet langer willekeurig zijn.
Afstand doen van zijn vrijheid betekent afstand doen van zijn mens-zijn, van de rechten van het mensdom, zelfs van zijn plichten. Er is geen enkele mogelijke compensatie voor wie van alles afstand doet. Een dergelijke verzaking is onverenigbaar met de menselijke aard, en het ontnemen van alle wilsvrijheid betekent dat men zijn handelingen van elke moraliteit ontdoet. Ten slotte is het een zinloze en tegenstrijdige overeenkomst om enerzijds absolute autoriteit vast te leggen en anderzijds grenzeloze gehoorzaamheid. Is het niet duidelijk dat men tot niets verplicht is jegens degene van wie men het recht heeft alles te eisen? En leidt deze ene voorwaarde, zonder tegenprestatie, zonder ruil, niet tot de nietigheid van de overeenkomst? Want welk recht zou de slaaf tegen mij hebben, aangezien alles wat hij bezit mij toebehoort, en aangezien zijn recht het mijne is, is dit recht van mij tegen mijzelf een uitdrukking die geen enkele betekenis heeft.
Grotius en de anderen leiden uit de oorlog een andere oorsprong af van het zogenaamde recht op slavernij. Aangezien de overwinnaar volgens hen het recht heeft de overwonnen te doden, kan deze laatste zijn leven afkopen ten koste van zijn vrijheid; een overeenkomst die des te legitiemer is omdat zij beide partijen ten goede komt.
Maar het is duidelijk dat dit zogenaamde recht om de verslagenen te doden op geen enkele wijze voortvloeit uit de oorlogssituatie. Alleen al omdat mensen die in hun oorspronkelijke onafhankelijkheid leven, onderling geen voldoende vaste band hebben om noch een vredestoestand, noch een oorlogstoestand te vormen, zijn zij van nature geen vijanden. Het is de verhouding tussen de dingen – en niet tussen de mensen – die oorlog veroorzaakt; en aangezien de staat van oorlog niet kan voortkomen uit louter persoonlijke verhoudingen, maar uitsluitend uit feitelijke verhoudingen [mais seulement des relations réelles], kan er geen sprake zijn van een particuliere oorlog of een oorlog van mens tegen mens, niet in de natuurlijke toestand, waar geen concrete eigendom [propriété constante] bestaat, niet in de maatschappelijke toestand, waar alles onder het gezag van de wetten staat.
Privégevechten, duels en confrontaties zijn handelingen die geenszins een rechtsstatus vormen; en wat betreft de particuliere oorlogen, die waren toegestaan krachtens de verordeningen van Lodewijk IX, koning van Frankrijk, en die door de godsvrede werden opgeschort, zijn dit misbruiken van het feodale bestel – een systeem dat, als er ooit een absurd systeem heeft bestaan, in strijd is met de beginselen van het natuurrecht en met elk goed bestuur.
Oorlog is dus geen verhouding van mens tot mens, maar een verhouding van staat tot staat, waarin individuen slechts incidenteel vijanden zijn, niet als mensen, noch zelfs als burgers, [De Romeinen, die het oorlogsrecht beter begrepen en meer eerbiedigden dan enig ander volk ter wereld, gingen in dit opzicht zo ver dat het een burger niet was toegestaan als vrijwilliger te dienen zonder zich uitdrukkelijk tegen de vijand te hebben gekeerd, en wel tegen een bepaalde vijand. Toen een legioen waarin Cato de Jongere onder Popilius zijn eerste wapenfeiten verrichtte, werd ontbonden, schreef Cato de Oude aan Popilius dat, indien hij wilde dat zijn zoon hem zou blijven dienen, hij hem een nieuwe militaire eed moest laten afleggen, omdat de eerste ongeldig was geworden en hij daardoor niet langer de wapens tegen de vijand mocht opnemen. En diezelfde Cato schreef aan zijn zoon dat hij zich goed moest hoeden om zich in de strijd te begeven voordat hij deze nieuwe eed had afgelegd. Ik weet dat men mij de belegering van Clusium en andere specifieke gebeurtenissen als tegenargument kan aanvoeren. Maar ik haal wetten en gebruiken aan. De Romeinen zijn degenen die hun wetten het minst hebben overtreden, en zij zijn de enigen die zulke prachtige wetten hebben gehad.] maar als soldaten; niet als leden van het vaderland, maar als verdedigers ervan. Ten slotte kan elke staat alleen andere staten als vijanden hebben en geen individuen, aangezien er tussen zaken van verschillende aard geen echte relatie kan worden vastgesteld.
Dit beginsel is zelfs in overeenstemming met de sinds mensenheugenis gevestigde stelregels en met de vaste praktijk van alle beschaafde volkeren. Oorlogsverklaringen zijn niet zozeer waarschuwingen aan de mogendheden dan aan hun onderdanen. De vreemdeling, of het nu een koning, een individu of een volk is, die onderdanen berooft, doodt of gevangen houdt zonder de vorst de oorlog te verklaren, is geen vijand, maar een rover. Zelfs midden in een oorlog neemt een rechtvaardige vorst in vijandelijk gebied weliswaar alles in beslag wat aan de gemeenschap toebehoort, maar hij respecteert de persoon en de bezittingen van individuen: hij eerbiedigt de rechten waarop zijn eigen rechten zijn gegrondvest. Aangezien het doel van de oorlog de vernietiging van de vijandelijke staat is, heeft men het recht de verdedigers ervan te doden zolang zij de wapens in de hand hebben, maar zodra zij deze neerleggen en zich overgeven, en daarmee ophouden vijanden of instrumenten van de vijand te zijn, worden zij weer gewoon mensen en heeft men geen recht meer op hun leven. Soms kan men de staat vernietigen zonder ook maar één van zijn leden te doden; de oorlog verleent echter geen enkel recht dat niet noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel. Deze beginselen zijn niet die van Grotius; ze zijn niet gebaseerd op de autoriteit van dichters, maar vloeien voort uit de aard der dingen en zijn gegrondvest op de rede.
Wat het veroveringsrecht betreft, heeft dit geen andere grondslag dan de wet van de sterkste. Als de oorlog de overwinnaar niet het recht geeft om de verslagen volkeren af te slachten, kan dit recht dat hij niet heeft, evenmin de grondslag vormen voor het recht om hen tot slaaf te maken. Men heeft alleen het recht de vijand te doden wanneer men hem niet tot slaaf kan maken; het recht om hem tot slaaf te maken vloeit dus niet voort uit het recht om hem te doden: het is dan ook een onrechtvaardige ruil om hem zijn leven, waarop men geen enkel recht heeft, te laten kopen ten koste van zijn vrijheid. Door het recht op leven en dood boven het recht op slavernij te stellen, en het recht op slavernij boven het recht op leven en dood, is het dan niet duidelijk dat men in een vicieuze cirkel terechtkomt?
Zelfs als we dit afschuwelijke recht om alles te doden zouden aannemen, zeg ik dat een slaaf die in oorlog is, of een overwonnen volk, jegens zijn meester tot niets anders verplicht is dan hem te gehoorzamen voor zover hij daartoe gedwongen wordt. Door een tegenwaarde voor zijn leven te nemen, heeft de overwinnaar hem geen genade geschonken; in plaats van hem vruchteloos te doden, heeft hij hem nuttig gedood. Het is dus verre van, dat hij enige met geweld gepaard gaande autoriteit over hem heeft verworven; de staat van oorlog blijft tussen hen bestaan zoals voorheen, hun verhouding zelf is daar het gevolg van en de uitoefening van het oorlogsrecht veronderstelt geen enkel vredesverdrag. Hebben ze een overeenkomst gesloten; goed dan; maar deze overeenkomst vernietigt de staat van oorlog geenszins, maar veronderstelt juist de voortzetting ervan.
Hoe men de zaken ook bekijkt, het recht op slavernij is nietig, niet alleen omdat het onrechtmatig is, maar ook omdat het absurd is en niets betekent. De woorden ‘slavernij’ en ‘recht’ zijn tegenstrijdig; ze sluiten elkaar wederzijds uit. Of het nu gaat om een mens ten opzichte van een mens, of om een mens ten opzichte van een volk, deze redenering zal altijd even onzinnig zijn. Ik sluit met jou een overeenkomst die volledig ten laste van jou is en volledig in mijn voordeel, die ik zal naleven zolang het mij behaagt, en die jij zult naleven zolang het mij behaagt.
Zelfs als ik alles zou aanvaarden wat ik tot nu toe heb weerlegd, zouden de voorstanders van het despotisme er niet beter van worden. Er zal altijd een groot verschil zijn tussen het onderwerpen van een menigte en het besturen van een samenleving. Dat verspreide mensen achtereenvolgens aan één persoon onderworpen worden, hoe talrijk zij ook zijn, daar zie ik slechts een meester en slaven: ik zie daarin geen volk en zijn leider; het is, zo men wil, een verzameling, maar geen vereniging; er is daar noch algemeen welzijn, noch een politiek lichaam. Zelfs als deze man de helft van de wereld zou hebben onderworpen, blijft hij slechts een individu; zijn belang, los van dat van anderen, blijft slechts een particulier belang. Mocht deze zelfde man komen te overlijden, dan blijft zijn rijk na hem versnipperd en zonder samenhang; zoals een eik uiteenvalt en in een hoop as verandert, nadat het vuur hem heeft verteerd.
Een volk, zegt Grotius, kan zich aan een koning geven. Volgens Grotius is een volk dus al een volk voordat het zich aan een koning geeft. Deze overgave zelf is een burgerlijke handeling; zij veronderstelt een openbare beraadslaging. Voordat we dus de handeling onderzoeken waarmee een volk een koning kiest, is het goed om de handeling te onderzoeken waardoor een volk een volk is. Want aangezien deze handeling noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de andere, vormt zij het ware fundament van de samenleving.
Inderdaad, als er geen eerdere overeenkomst zou zijn, waar zou dan – tenzij de verkiezing unaniem zou zijn – de verplichting liggen voor de minderheid om zich te onderwerpen aan de keuze van de meerderheid, en waar halen honderd mensen die een heerser willen, het recht vandaan om te stemmen voor de tien die er geen willen? De wet van de meerderheid van stemmen is zelf een vastgelegde overeenkomst en veronderstelt ten minste één keer unanimiteit.
Ik veronderstel dat de mensen het punt hebben bereikt waarop de obstakels die hun voortbestaan in de natuurlijke toestand in de weg staan, door hun weerstand de overhand hebben op de krachten die elk individu kan inzetten om zich in die toestand te handhaven. Dan kan deze oorspronkelijke toestand niet langer voortbestaan en zou het mensdom ten onder gaan als het zijn manier van bestaan niet zou veranderen.
Aangezien de mensen echter geen nieuwe krachten kunnen genereren, maar slechts de bestaande kunnen verenigen en sturen, hebben zij geen ander middel om zich te handhaven dan door samenwerking een kracht te vormen die de weerstand kan overwinnen, deze in te zetten vanuit één drijfveer en in onderlinge samenwerking te laten optreden.
Deze som van krachten kan alleen ontstaan uit de samenwerking van velen; maar aangezien de kracht en de vrijheid van elke mens de belangrijkste middelen voor zijn voortbestaan zijn, hoe zal hij deze dan inzetten zonder zichzelf te schaden en zonder de zorg voor zichzelf te verwaarlozen? Deze moeilijkheid, toegepast op mijn onderwerp, kan als volgt worden geformuleerd:
“Vind een vorm van vereniging die met alle gezamenlijke kracht de persoon en de bezittingen van elk lid verdedigt en beschermt, en waarbij iedereen zich weliswaar met allen verenigt, maar niettemin alleen aan zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als voorheen.”
Dat is het fundamentele probleem waarop het maatschappelijke contract de oplossing biedt.
De bepalingen van dit contract worden zo sterk bepaald door de aard van de handeling, dat de geringste wijziging ze zinloos en ongeldig zou maken; zodat – hoewel nooit formeel vastgelegd – ze overal dezelfde zijn, overal stilzwijgend aanvaard en erkend, totdat, wanneer het maatschappelijk contract wordt geschonden, ieder zijn oorspronkelijke rechten terugkrijgt; zijn natuurlijke vrijheid herwint en de conventionele vrijheid verliest waarvan hij afstand had gedaan.
Deze bepalingen komen, goed begrepen, allemaal neer op één ding, namelijk de volledige overdracht door elke deelnemer van al zijn rechten aan de gehele gemeenschap. Want ten eerste, aangezien iedereen zich volledig overgeeft, is de voorwaarde voor iedereen gelijk, en aangezien de voorwaarde voor iedereen gelijk is, heeft niemand er belang bij deze voor de anderen bezwarend te maken.
Bovendien is de vereniging, aangezien de overdracht zonder voorbehoud plaatsvindt, zo volmaakt als maar kan en heeft geen enkel lid nog iets te eisen: want als er nog enkele rechten aan individuen zouden overblijven, zou er geen gemeenschappelijke autoriteit zijn die tussen hen en het algemeen belang zou kunnen oordelen; en aangezien ieder op een bepaald punt zijn eigen rechter zou zijn, zou hij al snel aanspraak maken op het recht om dat in alle opzichten te zijn, waardoor de natuurlijke toestand zou voortduren en de vereniging noodzakelijkerwijs tiranniek of zinloos zou worden.
Ten slotte: doordat iedereen zich aan iedereen geeft, geeft men zich aan niemand, en aangezien er geen enkele medemens is ten opzichte van wie men niet hetzelfde recht verwerft als men hem op basis van vertrouwen afstaat, wint men het equivalent van alles wat men verliest, en meer kracht om te behouden wat men heeft.
Als men dus uit het maatschappelijke contract dat weglaat wat niet tot de essentie behoort, zal men zien dat het zich tot het volgende laat herleiden: “Ieder van ons stelt zijn persoon en al zijn kracht in gemeenschap onder de hoogste leiding van de algemene wil; en wij aanvaarden als geheel elk lid als een ondeelbaar deel van het geheel.”
Op dat moment schept deze handeling, in plaats van de individuele persoon als contractant, een moreel en collectief lichaam, bestaande uit evenveel leden als de gemeenschap stemmen telt, en uit diezelfde handeling ontleent het zijn eenheid, zijn gemeenschappelijk ‘ik’, zijn leven en zijn wil. Deze publieke entiteit, die aldus ontstaat uit de vereniging van alle andere, werd vroeger de “stadstaat” genoemd en wordt nu de “republiek” of “politiek lichaam” genoemd, dat door zijn leden “staat” wordt genoemd wanneer het passief is, “soeverein” wanneer het actief is, en “macht” wanneer het met soortgelijke entiteiten wordt vergeleken. [De ware betekenis van dit woord is bij de moderne mensen bijna volledig verdwenen; de meesten verwarren een stad met een ‘cité’ en een burger met een ‘citoyen’. Zij weten niet dat huizen de stad vormen, maar dat de burgers de ‘cité’ vormen. Diezelfde vergissing kwam de Carthagers duur te staan. Ik heb nergens gelezen dat de titel ‘Cives’ ooit aan een vorst is toegekend, zelfs niet in het verleden aan de Macedoniërs, noch tegenwoordig aan de Engelsen, hoewel zij dichter bij de vrijheid staan dan alle anderen. Alleen de Fransen gebruiken de naam ‘burgers’ heel nonchalant, omdat ze er geen echt begrip van hebben, zoals te zien is in hun woordenboeken; anders zouden ze, door deze naam onrechtmatig te gebruiken, zich schuldig maken aan majesteitsschennis: bij hen drukt deze naam een deugd uit en geen recht. Toen Bodin het over onze ‘burgers’ en ‘stadsburgers’ wilde hebben, beging hij een grove blunder door de ene groep voor de andere aan te merken. De heer d’Alembert heeft zich daarin niet vergist en heeft in zijn artikel over Genève een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de vier klassen van mensen (zelfs vijf, als men de gewone vreemdelingen meetelt) die in onze stad aanwezig zijn, en waarvan er slechts twee de Republiek vormen. Geen enkele andere Franse auteur, voor zover ik weet, heeft de ware betekenis van het woord ‘burger’ begrepen.] Wat de leden betreft: zij worden gezamenlijk het ‘volk’ genoemd, en noemen zichzelf in het bijzonder ‘burgers’, omdat zij deel hebben aan het soevereine gezag, en ‘onderdanen’, omdat zij onderworpen zijn aan de wetten van de staat. Maar deze termen worden vaak door elkaar gehaald en voor elkaar gebruikt; het volstaat ze te kunnen onderscheiden wanneer ze in hun volle betekenis worden gebruikt.
Uit deze formulering blijkt dat de verenigingsakte een wederzijdse verbintenis tussen het volk en de individuen inhoudt en dat elk individu dat, om zo te zeggen, een overeenkomst met zichzelf sluit, in tweevoud gebonden is; namelijk als lid van de soeverein jegens de individuen, en als lid van de staat jegens de soeverein. Maar men kan hier de stelregel van het burgerlijk recht niet toepassen, dat niemand gebonden is door een overeenkomst met zichzelf; want er is wel degelijk een verschil tussen zich jegens zichzelf te verplichten, of jegens een geheel waarvan men deel uitmaakt.
Er moet bovendien worden opgemerkt dat de openbare beraadslaging, die alle onderdanen verplichtingen jegens de soeverein kan opleggen vanwege de twee verschillende verhoudingen waarin elk van hen wordt beschouwd, omgekeerd de soeverein geen verplichtingen jegens zichzelf kan opleggen; en dat het bijgevolg in strijd is met de aard van het staatsbestel dat de soeverein zichzelf een wet oplegt die hij niet mag overtreden. Aangezien hij zichzelf slechts vanuit één en dezelfde hoedanigheid kan beschouwen, bevindt hij zich dan in de situatie van een individu die een overeenkomst met zichzelf sluit: waaruit blijkt dat er geen enkele vorm van fundamentele wet bestaat die bindend is voor het volk als een lichaam, zelfs niet het maatschappelijk contract. Dit betekent echter niet dat dit lichaam zich niet uitstekend ten opzichte van anderen kan verbinden, voor zover dit niet in strijd is met dit contract; want ten opzichte van de vreemdeling wordt het een eenvoudig wezen, een individu.
Maar aangezien het staatsapparaat of de soeverein zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de heiligverklaring van het contract, kan het zich nooit, zelfs niet jegens anderen, verbinden tot iets dat afwijkt van deze oorspronkelijke akte, zoals het afstaan van een deel van zichzelf of het onderwerpen aan een andere soeverein. Het schenden van de akte waardoor het bestaat, zou neerkomen op zelfvernietiging, en wat niets is, brengt niets voort.
Zodra deze menigte aldus tot één lichaam is verenigd, kan men geen van de leden schaden zonder het lichaam aan te vallen; en nog minder het lichaam schaden zonder dat de leden daar de gevolgen van ondervinden. Zo verplichten zowel de plicht als het eigenbelang beide contractpartijen ertoe elkaar wederzijds bij te staan en moeten dezelfde mensen trachten alle voordelen die hiermee samenhangen in dit dubbele opzicht te verenigen.
Welnu, aangezien de soeverein slechts bestaat uit de individuen waaruit hij is samengesteld, heeft hij geen belangen die tegengesteld zijn aan die van hen, noch kan hij die hebben; bijgevolg heeft de soevereine macht geen enkele behoefte aan een waarborg jegens de onderdanen; want het is onmogelijk dat het lichaam al zijn leden kwaad wil doen; en wij zullen hierna zien dat het geen enkel lid afzonderlijk kwaad kan doen. De soeverein is, louter door het feit dat hij bestaat, altijd alles wat hij moet zijn.
Dit geldt echter niet voor de onderdanen ten opzichte van de soeverein, aan wie – ondanks het gemeenschappelijk belang – niets van hun verplichtingen zou worden nagekomen, indien hij geen middelen zou vinden om zich van hun trouw te verzekeren.
Elk individu kan immers, als mens, een eigen wil hebben die tegengesteld is aan of verschilt van de algemene wil die hij heeft als burger. Zijn eigenbelang kan hem op een heel andere manier aanspreken dan het algemeen belang; zijn absolute en van nature onafhankelijke bestaan kan hem ertoe brengen wat hij aan de gemeenschappelijke zaak verschuldigd is te beschouwen als een vrijwillige bijdrage, waarvan het verlies voor anderen minder schadelijk zal zijn dan de kosten ervan voor hemzelf; en aangezien hij de rechtspersoon die de staat vormt beschouwt als een rationeel wezen – omdat het geen mens is – zou hij de burgerrechten genieten zonder de plichten van een onderdaan, een onrechtvaardigheid waarvan de opmars de ondergang van het staatsbestel zou veroorzaken.
Opdat het maatschappelijk contract geen loze formaliteit zou zijn, bevat het stilzwijgend dit engagement, die als enige de andere macht kan geven, namelijk dat eenieder die weigert de algemene wil te gehoorzamen, daartoe door het apparaat zal worden gedwongen: wat niets anders betekent dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn; want dit is de voorwaarde die, doordat elke burger zich aan het vaderland geeft, hem vrijwaart van elke vorm van persoonlijke afhankelijkheid;; een voorwaarde die de kern en werking van het apparaat vormt en als enige de burgerlijke verbintenissen legitiem maakt, die zonder deze voorwaarde absurd, tiranniek en vatbaar voor de meest enorme misbruiken zou zijn.
Deze overgang van de natuurstaat naar de burgerlijke staat brengt bij de mens een opmerkelijke verandering teweeg, doordat in zijn gedrag gerechtigheid in de plaats komt van het instinct en zijn handelingen de moraliteit krijgen die ze voorheen ontbeerden. Pas dan, wanneer de stem van de plicht de plaats inneemt van de fysieke impuls en het recht de plaats van de begeerte, ziet de mens, die tot dan toe alleen naar zichzelf had gekeken, zich gedwongen volgens andere principes te handelen en zijn verstand te raadplegen alvorens naar zijn neigingen te luisteren. Hoewel hij zich in deze toestand berooft van de vele voordelen van de natuur, wint hij er grote voor terug: zijn vermogens worden geoefend en ontwikkeld, zijn ideeën verbreed, zijn gevoelens worden veredeld, zijn hele ziel verheft zich zodanig dat, als de misbruiken van deze nieuwe toestand hem niet vaak zouden verlagen tot onder het niveau waaruit hij is voortgekomen, zou hij toch onophoudelijk het moment moeten zegenen dat hem daar voorgoed uit heeft gerukt, en dat van een dom en bekrompen dier een intelligent wezen en een mens heeft gemaakt.
Laten we deze hele afweging terugbrengen tot termen die gemakkelijk te vergelijken zijn. Wat de mens door het maatschappelijk contract verliest, is zijn natuurlijke vrijheid en een onbeperkt recht op alles wat hem aanspreekt en wat hij kan bereiken; wat hij wint, is de burgerlijke vrijheid en het eigendom van alles wat hij bezit. Om zich in deze afwegingen niet te vergissen, moet men een duidelijk onderscheid maken tussen de natuurlijke vrijheid, die alleen door de kracht van het individu wordt begrensd, en de burgerlijke vrijheid, die door de algemene wil wordt beperkt; en tussen het bezit, dat slechts het gevolg is van kracht of het recht van de eerste inbezitnemer, en het eigendom, dat alleen op een rechtstitel kan berusten.
Aan het bovenstaande zou men aan de verworvenheden van de burgerlijke staat de morele vrijheid kunnen toevoegen, die als enige de mens werkelijk meester over zichzelf maakt; want het louter laten leiden door begeerte is slavernij, en gehoorzaamheid aan de wet die men zichzelf heeft opgelegd is vrijheid. Maar ik heb hierover al meer dan genoeg gezegd en de filosofische betekenis van het woord vrijheid valt hier buiten mijn onderwerp.
Elk lid van de gemeenschap geeft zich aan de gemeenschap op het moment dat deze tot stand komt, zoals hij op dat moment is, met al zijn krachten, waaronder zijn bezittingen. Het is niet zo dat door deze handeling het bezit van aard verandert door van eigenaar te wisselen, en tot eigendom wordt in de handen van de soeverein; maar aangezien de macht van de staat onvergelijkbaar groter is dan die van een individu, is het openbaar bezit in feite ook sterker en onherroepelijker, zonder dat het legitiemer is, althans voor buitenstaanders. Want de staat is ten opzichte van zijn leden heer en meester over al hun bezittingen door het maatschappelijke contract, dat in de staat als grondslag dient voor alle rechten; maar ten opzichte van andere mogendheden is hij dat alleen door het recht van de eerste inbezitneming, dat hij overnam van de individuen.
Het recht van de eerste bezitter, hoewel reëler dan dat van de sterkste, wordt pas een echt recht na het vestigen van het eigendomsrecht. Ieder mens heeft van nature recht op alles wat voor hem noodzakelijk is; maar de positieve handeling die hem eigenaar maakt van een bepaald goed, sluit hem uit van al het overige. Nu zijn deel is vastgesteld, moet hij zich daartoe beperken en heeft hij geen enkel recht meer op de gemeenschap. Daarom verdient het recht van de eerste inbezitnemer, dat in de natuurlijke toestand zo zwak is, het respect van elke beschaafde mens. Men respecteert in dit recht wat aan anderen toebehoort minder dan wat niet aan zichzelf toebehoort.
Over het algemeen zijn de volgende voorwaarden nodig om het recht van de eerste inbezitnemer op een stuk grond te rechtvaardigen. Ten eerste dat dit stuk grond nog door niemand bewoond wordt; ten tweede dat men er slechts zoveel van in bezit neemt als nodig is om in leven te blijven; ten derde dat men er bezit van neemt, niet door een nutteloze ceremonie, maar door arbeid en teelt, het enige blijk van eigendom dat, bij gebrek aan juridische titels, door anderen moet worden gerespecteerd.
Is het toekennen van het recht van de eerste bezitter aan behoefte en arbeid immers niet gelijk aan het recht, dit zo ver uit te breiden als het maar kan? Kan men aan dit recht geen grenzen stellen? Is het voldoende om een voet op het gemeenschappelijk terrein te zetten om er onmiddellijk aanspraak op te maken als eigenaar? Is het voldoende om de macht te hebben anderen er van weg te houden om hen het recht te ontnemen er ooit nog terug te keren? Hoe kan een mens of een volk zich een uitgestrekt gebied toe-eigenen en de gehele mensheid daarvan beroven, anders dan door een strafbare usurpatie, aangezien dit de overige mensen de woonplaats en het levensonderhoud ontneemt die de natuur hun gezamenlijk schenkt? Toen Núñez de Balboa vanaf de kust bezit nam van de Zuidzee en heel Zuid-Amerika in naam van de kroon van Castilië, was dat dan voldoende om alle bewoners daarvan te onteigenen en alle vorsten van de wereld daarvan uit te sluiten? Op die manier namen deze plechtigheden nogal zinloos toe, en de katholieke koning hoefde alleen maar vanuit zijn kabinet in één klap bezit te nemen van de gehele wereld; waarbij hij achteraf slechts een voorbehoud hoeft te maken ten aanzien van wat reeds in het bezit was van andere vorsten.
Men begrijpt hoe de samengevoegde en aaneengesloten gronden van de individuen openbaar domein worden, en hoe het soevereiniteitsrecht, dat zich uitstrekt van de onderdanen tot het land dat zij bewonen, tegelijkertijd reëel en persoonlijk wordt; wat de bezitters in een grotere afhankelijkheid plaatst, en hun eigen krachten hun trouw waarborgt. Een voordeel dat niet goed lijkt te zijn begrepen door vroegere vorsten, die zich slechts koningen van de Perzen, de Scythen en de Macedoniërs noemden en zichzelf eerder als leiders van de mensen dan als heersers over het land leken te beschouwen. De heersers van vandaag noemen zich behendig koningen van Frankrijk, Spanje, Engeland, enz. Door op deze manier hun positie te behouden, zijn ze er zeker van dat ze de inwoners onder hun hoede houden.
Het bijzondere aan deze vervreemding is dat de gemeenschap, door de bezittingen van individuen te aanvaarden, deze geenszins van hun bezit berooft, maar juist hun rechtmatige bezit ervan waarborgt, de onrechtmatige toe-eigening omzet in een waar recht, en het genot in eigendom. Aangezien de eigenaars worden beschouwd als hoeders van het algemeen belang, hun rechten door alle leden van de staat worden gerespecteerd en met alle kracht tegen buitenlandse invloeden worden verdedigd, hebben zij – door een overdracht die gunstig is voor het algemeen belang en nog meer voor henzelf – als het ware alles verworven wat zij hebben afgestaan. Een paradox die gemakkelijk te verklaren is door het onderscheid tussen de rechten die de soeverein en de eigenaar op hetzelfde land hebben, zoals hierna zal blijken.
Het kan ook voorkomen dat mensen zich beginnen te verenigen voordat zij iets bezitten, en dat zij, nadat zij vervolgens voldoende grond voor iedereen in bezit hebben genomen, daarvan gezamenlijk genieten, of dat zij deze onderling verdelen, hetzij gelijkelijk, hetzij volgens verhoudingen die door de soeverein zijn vastgesteld. Op welke wijze dit ook plaatsvindt, het recht dat elk individu op zijn eigen grond heeft, is altijd ondergeschikt aan het recht dat de gemeenschap op alle grond heeft; anders zou er noch stabiliteit in de sociale samenhang zijn, noch echte macht in de uitoefening van de soevereiniteit.
Ik eindig dit hoofdstuk en dit boek met een opmerking die als basis moet dienen voor het gehele sociale stelsel: namelijk dat het fundamentele contract, in plaats van de natuurlijke gelijkheid te vernietigen, juist een morele en legitieme gelijkheid in de plaats stelt van de fysieke ongelijkheid die de natuur tussen de mensen had kunnen aanbrengen, en dat zij, hoewel zij ongelijk kunnen zijn in kracht of talent, door overeenkomst en van rechtswege allen gelijk worden. [Onder slecht bestuur is deze gelijkheid slechts schijnbaar en illusoir; zij dient alleen om de arme in zijn ellende en de rijke in zijn onrechtmatige bezit te houden. In feite zijn wetten altijd nuttig voor degenen die bezitten en schadelijk voor degenen die niets hebben: daaruit volgt dat de maatschappelijke toestand voor de mensen slechts voordelig is voor zover zij allen iets hebben en geen van hen te veel heeft.]
De eerste en belangrijkste conclusie die uit de tot nu toe door ons vastgestelde beginselen kan worden getrokken, is dat alleen de algemene wil de staat kan sturen in overeenstemming met het doel waarvoor deze is opgericht, namelijk het algemeen welzijn: want hoewel de botsing van particuliere belangen de oprichting van samenlevingen noodzakelijk maakte, was het juist de overeenstemming tussen deze belangen die dit mogelijk maakte. Het gemeenschappelijke element in deze verschillende belangen vormt de maatschappelijke band; en als er geen enkel punt van overeenstemming tussen al deze belangen zou bestaan, zou er geen samenleving kunnen bestaan. Het is uitsluitend op basis van dit gemeenschappelijke belang dat elke samenleving bestuurd moet worden.
Ik ben dan ook van mening dat soevereiniteit, die niets minder is dan de uitoefening van de algemene wil, nooit kan worden overgedragen en dat de soeverein, die niets minder is dan een collectief wezen, alleen door zichzelf kan worden vertegenwoordigd: de macht kan weliswaar worden overgedragen, maar de wil niet.
Het is immers mogelijk dat een individuele wil op een bepaald punt overeenkomt met de algemene wil, maar het is in ieder geval onmogelijk dat deze overeenstemming duurzaam en constant is: de individuele wil neigt immers van nature naar voorkeuren, terwijl de algemene wil naar gelijkheid neigt. Het is nog onmogelijker dat er een waarborg voor deze overeenkomst zou bestaan, ook al zou dit altijd het geval moeten zijn; dit zou niet het gevolg zijn van kunde, maar van toeval. De soeverein kan wel zeggen: “Ik wil op dit moment wat een bepaalde man wil, of althans wat hij zegt te willen”; maar hij kan niet zeggen: “Wat deze man morgen zal willen, zal ik ook willen”; aangezien het absurd is dat de wil zichzelf ketenen oplegt voor de toekomst, bovendien is het geen enkele wil eigen, om in te stemmen met iets dat in strijd is met het welzijn van het wezen dat wil. Als het volk dus belooft te gehoorzamen, lost het zich door deze daad op en verliest het zijn hoedanigheid als volk; zodra er een meester is, is er geen soeverein meer, en vanaf dat moment is het politieke lichaam vernietigd.
Dit wil niet zeggen dat de bevelen van de heersers niet als algemene wil kunnen worden beschouwd, zolang de soeverein, die vrij is zich daartegen te verzetten, dit niet doet. In een dergelijk geval moet uit het algemene stilzwijgen de instemming van het volk worden afgeleid. Dit zal nader worden toegelicht.
Om dezelfde reden dat de soevereiniteit onvervreemdbaar is, is zij ook ondeelbaar. Want de wil is algemeen, of zij is het niet [Om van een algemene wil te kunnen spreken, is het niet altijd noodzakelijk dat deze unaniem is, maar het is wel noodzakelijk dat alle stemmen worden geteld; elke formele uitsluiting doet afbreuk aan het algemene karakter]; zij is die van het volk als geheel, of slechts van een deel daarvan. In het eerste geval is de wil, wanneer deze wordt uitgesproken, een daad van soevereiniteit en vormt deze de wet. In het tweede geval is het een individuele wil, of een daad van een ambt; het is hooguit een decreet.
Maar onze politici, die de soevereiniteit in principe niet kunnen opsplitsen, splitsen haar op wat betreft haar voorwerp; zij splitsen haar op in macht en wil, in wetgevende en uitvoerende macht, in belasting-, rechts- en oorlogsrechten, in binnenlands bestuur en in de bevoegdheid om met het buitenland te onderhandelen: nu eens verwarren zij al deze onderdelen, en nu eens scheiden zij ze van elkaar; zij maken van de soeverein een fantasiefiguur, samengesteld uit losse onderdelen; het is alsof zij de mens zouden samenstellen uit verschillende lichamen, waarvan het ene ogen zou hebben, het andere armen, of nog het andere voeten, en verder niets. Charlatans in Japan snijden, zo wordt gezegd, een kind in stukken voor de ogen van de toeschouwers, waarna ze alle ledematen één voor één in de lucht gooien en het kind levend en heel weer in zijn geheel laten neerkomen. Zo zien de goocheltrucs van onze politici er ongeveer uit; nadat ze het maatschappelijke lichaam hebben uiteengereten met een goocheltruc die een kermis waardig is, brengen ze de stukken op de een of andere manier weer bij elkaar.
Deze dwaling is te wijten aan het feit dat men zich geen juist beeld had gevormd van het soevereine gezag, en dat men zaken die slechts uitingen daarvan waren, als onderdelen van dat gezag beschouwde. Zo heeft men bijvoorbeeld het uitroepen van oorlog en het sluiten van vrede beschouwd als handelingen van soevereiniteit, wat niet het geval is; aangezien elk van deze handelingen geen wet is, maar slechts een toepassing van de wet, een bijzondere handeling die de toepassing van de wet bepaalt, zoals duidelijk zal worden wanneer het begrip dat aan het woord wet verbonden is, vastligt.
Als men op dezelfde wijze de overige onderverdelingen zou volgen, zou men vaststellen dat men zich telkens vergist wanneer men meent de soevereiniteit verdeeld te zien; dat de rechten die men beschouwt als onderdelen van deze soevereiniteit, er allemaal ondergeschikt aan zijn en altijd uitgaan van een hoogste wil, waarvan deze rechten de uitvoering zijn.
Het valt niet te zeggen in hoeverre dit gebrek aan nauwkeurigheid de beslissingen van de auteurs op het gebied van het staatsrecht heeft vertroebeld, toen zij de respectieve rechten van koningen en volkeren wilden beoordelen aan de hand van de door hen vastgestelde beginselen. Iedereen kan in de hoofdstukken 3 en 4 van het eerste boek van Grotius zien hoe deze geleerde en zijn vertaler Barbeyrac in de knoop raken, verstrikt raken in hun drogredenen, uit angst om te veel of juist te weinig te zeggen volgens hun opvattingen, waardoor de belangen die zij met elkaar in evenwicht moeten brengen, worden geschaad. Grotius, die zijn toevlucht had gezocht in Frankrijk, ontevreden over zijn vaderland en in de hoop in de gunst te komen bij Lodewijk XIII, aan wie zijn boek is opgedragen, spaart geen moeite om de volkeren al hun rechten te ontnemen en de koningen daarmee te bekleden met alle mogelijke kunstgrepen. Dat zou ook de voorkeur van Barbeyrac zijn geweest, die zijn vertaling opdroeg aan de Engelse koning George I. Maar helaas dwingt de expulsie van Jacobus II – die hij troonsafstand noemt – hem tot terughoudendheid, tot het verdraaien van de feiten en tot het draaien om de hete brij, om Willem niet tot een usurpator te maken. Als deze twee schrijvers de ware beginselen hadden aangenomen, zouden alle moeilijkheden zijn weggenomen en zouden zij consequent zijn geweest; maar zij zouden op trieste wijze de waarheid hebben gesproken en zouden alleen het volk hebben geëerd. Welnu, de waarheid leidt niet tot fortuin, en het volk schenkt noch ambassades, noch leerstoelen, noch pensioenen.
Uit het voorgaande volgt dat de algemene wil altijd oprecht is en steeds gericht op het algemeen belang; hieruit volgt echter niet dat de besluiten van het volk altijd even oprecht zijn. Men wil altijd het beste voor zichzelf, maar men ziet dat niet altijd in; men corrumpeert het volk nooit, maar men misleidt het vaak; en alleen dan lijkt het alsof het het kwade wil.
Er is vaak een groot verschil tussen de wil van allen en de algemene wil: deze laatste heeft alleen oog voor het gemeenschappelijk belang, de andere voor het particulier belang, en is slechts een som van het individuele willen; maar haal uit diezelfde willen de plus- en minpunten weg die elkaar tenietdoen [Elk belang, zegt de markies van Argenson, heeft verschillende uitgangspunten. De overeenstemming tussen twee individuele belangen ontstaat in tegenstelling tot dat van een derde. Hij had eraan kunnen toevoegen dat de overeenstemming tussen alle belangen ontstaat in tegenstelling tot dat van elk afzonderlijk. Als er geen verschillende belangen zouden zijn, zou men het gemeenschappelijk belang nauwelijks voelen, aangezien het nooit op weerstand zou stuiten: alles zou vanzelf gaan, en de politiek zou ophouden een kunst te zijn], dan blijft de algemene wil als som van de verschillen over.
Indien, wanneer het voldoende geïnformeerde volk beraadslaagt, de burgers onderling geen contact zouden hebben, zou uit het grote aantal kleine verschillen altijd de algemene wil voortkomen, en zou de beraadslaging altijd goed zijn. Maar wanneer er groeperingen ontstaan, verenigingen die ten koste gaan van het grote geheel, wordt de wil van elk van deze verenigingen algemeen ten opzichte van haar leden, en particulier ten opzichte van de staat; men kan dan stellen dat er niet langer evenveel kiezers zijn als er mensen zijn, maar slechts evenveel als er verenigingen zijn. De verschillen worden minder talrijk en leveren een minder algemeen resultaat op. Uiteindelijk, wanneer een van deze groeperingen zo groot is dat zij de anderen overtreft, is het resultaat niet langer een som van kleine verschillen, maar één enkel verschil; dan is er geen algemene wil meer, en is de mening die de overhand heeft een particuliere mening.
Om de algemene wil goed tot uitdrukking te brengen, is het dus van belang dat er binnen de staat geen particuliere gemeenschappen bestaan en dat elke burger uitsluitend zijn eigen mening vormt. [Het is waar, zegt Machiavelli, dat sommige verdeeldheden schadelijk zijn voor republieken, en andere nuttig: schadelijk zijn die welke gepaard gaan met sekten en partijgangers; nuttig zijn die welke zonder sekten en zonder partijgangers standhouden. Aangezien een stichter van een republiek dus niet kan voorkomen dat er vijandschappen in die republiek bestaan, moet hij er ten minste voor zorgen dat er geen sekten zijn. Hist. Florent, boek 7.] Dat was de enige en verheven instelling van de grote Lycurgus. Als er deelgemeenschappen bestaan, moet men het aantal daarvan vermeerderen en ongelijkheid voorkomen, zoals Solon, Numa en Servius deden. Deze voorzorgsmaatregelen zijn de enige goede om ervoor te zorgen dat de algemene wil altijd duidelijk is en dat het volk zich niet vergist.
Indien de staat of de stad een rechtspersoon is waarvan het bestaan berust op de eenheid van zijn leden, en als zijn belangrijkste zorg het behoud van zichzelf is, dan heeft hij een universele en dwingende macht nodig om elk onderdeel te sturen en in te zetten op de wijze die het meest geschikt is voor het geheel. Zoals de natuur aan elke mens absolute macht over al zijn ledematen geeft, zo verleent het maatschappelijk contract aan het staatsapparaat absolute macht over al zijn leden, en het is juist deze macht die, geleid door de algemene wil, zoals ik al zei, de naam soevereiniteit draagt.
Maar naast de publieke persoon moeten we ook rekening houden met de individuele personen waaruit deze bestaat, en wier leven en vrijheid van nature onafhankelijk zijn van de publieke persoon. Het gaat er dus om een duidelijk onderscheid te maken tussen de respectievelijke rechten van de burgers en die van de soeverein [Aandachtige lezers, haast u alstublieft niet om mij hier van een tegenstrijdigheid te beschuldigen. Gezien de beperkte mogelijkheden van de taal kon ik dit in mijn bewoordingen niet vermijden; maar heb geduld.] en de plichten die de eersten als onderdanen moeten vervullen, naast het natuurrecht waarvan zij als mensen moeten genieten.
Men is het erover eens dat alles wat eenieder via het maatschappelijk contract van zijn macht, zijn bezittingen en zijn vrijheid afstaat, slechts dat deel is waarvan het gebruik van belang is voor de gemeenschap; men moet echter ook erkennen dat alleen de soeverein bevoegd is om over dit belang te oordelen.
Alle diensten die een burger de staat kan bewijzen, is hij verschuldigd zodra de soeverein daarom vraagt; maar de soeverein van zijn kant mag de onderdanen geen last opleggen die voor de gemeenschap nutteloos is; hij mag dat zelfs niet willen; want volgens de wet van de rede gebeurt niets zonder reden, evenmin als volgens de wet van de natuur.
De verbintenissen die ons aan de samenleving binden, zijn bindend omdat ze wederzijds zijn, en hun aard is zodanig dat men bij het nakomen ervan niet voor anderen kan werken zonder ook voor zichzelf te werken. Waarom is de algemene wil altijd rechtvaardig, en waarom willen allen voortdurend het geluk van ieder van hen, tenzij omdat er niemand is die zich het woord ‘ieder’ niet eigen maakt, en niet aan zichzelf denkt wanneer hij voor allen stemt? Dit bewijst dat gelijkheid in rechten en het begrip van rechtvaardigheid dat daaruit voortvloeit, voortkomt uit de voorkeur die ieder zichzelf toekent en bijgevolg uit de aard van de mens; dat de algemene wil, om werkelijk als zodanig te zijn, zowel in haar doel als in haar wezen zo moet zijn; dat zij van allen moet uitgaan om op allen van toepassing te zijn, en dat zij haar natuurlijke rechtvaardigheid verliest wanneer zij op een individueel en bepaald doel is gericht, omdat wij dan, wanneer wij oordelen over wat ons vreemd is, geen waar principe van billijkheid hebben dat ons leidt.
Zodra het namelijk gaat om iets, of een bijzonder recht, dat niet is geregeld door een algemene en eerdere overeenkomst, wordt de zaak omstreden. Het is een rechtszaak waarin de betrokken individuen de ene partij vormen en het publiek de andere, maar waarin ik noch de wet zie die moet worden gevolgd, noch de rechter die uitspraak moet doen. Het zou belachelijk zijn om dan een beroep te willen doen op een uitdrukkelijke beslissing van de algemene wil, die slechts de conclusie van één van de partijen kan zijn, en bijgevolg voor de andere partij slechts een vreemde, bijzondere wil is, die in dit geval tot onrechtvaardigheid leidt en vatbaar is voor dwaling. Net zoals een individuele wil de algemene wil niet kan vertegenwoordigen, verandert de algemene wil op haar beurt van aard wanneer zij een specifiek doel heeft, en kan zij als algemene wil geen uitspraak doen over een persoon of een gebeurtenis. Bijvoorbeeld, toen het volk van Athene zijn leiders benoemde of afzette, of de ene eerbewijzen toekende, en de andere straffen oplegde, en door een veelheid aan afzonderlijke besluiten zonder onderscheid alle handelingen van de regering uitoefende, had het volk op dat moment geen algemene wil meer in de eigenlijke zin van het woord; het handelde niet langer als soeverein, maar als overheid. Dit lijkt in strijd met de gangbare opvattingen, maar geef mij de tijd om mijn eigen ideeën uiteen te zetten.
Men moet hieronder verstaan dat wat de wil algemeen maakt, niet zozeer het aantal stemmen is, als wel het gemeenschappelijk belang dat hen verenigt; want in deze instelling onderwerpt ieder zich noodzakelijkerwijs aan de voorwaarden die hij aan de anderen oplegt; een bewonderenswaardige overeenstemming tussen belang en rechtvaardigheid, die de gezamenlijke beraadslagingen een karakter van billijkheid verleent dat men bij de bespreking van elke afzonderlijke zaak ziet verdwijnen, bij gebrek aan een gemeenschappelijk belang dat de rechtsregel verenigt met en gelijkstelt aan die van de partij.
Van welke kant men het principe ook benadert, men komt altijd tot dezelfde conclusie; namelijk dat het maatschappelijk contract tussen de burgers een zodanige gelijkheid tot stand brengt dat zij zich allen onder dezelfde voorwaarden verbinden en allen dezelfde rechten moeten genieten. Zo verplicht of begunstigt, door de aard van het contract, elke soevereine handeling – dat wil zeggen elke authentieke uiting van de algemene wil – alle burgers in gelijke mate, zodat de soeverein alleen het volk als geheel erkent en geen onderscheid maakt tussen degenen waaruit het bestaat. Wat is dan eigenlijk een soevereine handeling? Het is geen overeenkomst tussen de meerdere en de ondergeschikte, maar een overeenkomst tussen het volk en elk van zijn leden: een legitieme overeenkomst, omdat het gebaseerd is op het maatschappelijk contract; rechtvaardig, omdat het voor iedereen geldt; nuttig, omdat het geen ander doel kan hebben dan het algemeen welzijn; en solide, omdat het wordt gewaarborgd door de openbare macht en de hoogste autoriteit. Zolang de onderdanen aan dergelijke overeenkomsten onderworpen zijn, gehoorzamen zij aan niemand, maar alleen aan de eigen wil; en vragen in hoeverre de respectievelijke rechten van de soeverein en de burgers reiken, is vragen tot op welk punt deze zich ten opzichte van zichzelf kunnen verbinden, ieder jegens allen en allen jegens ieder van hen.
Hieruit blijkt dat de soevereine macht, hoe absoluut, heilig en onschendbaar zij ook is, de grenzen van de algemene overeenkomsten niet overschrijdt en ook niet kan overschrijden, en dat ieder mens volledig kan beschikken over wat hem door deze overeenkomsten aan bezit en vrijheid is overgelaten; zodat de soeverein nooit het recht heeft de ene onderdaan zwaarder te belasten dan de andere, want wanneer de zaak een bijzonder karakter krijgt, is zijn macht niet langer van toepassing.
Zodra dit onderscheid eenmaal aanvaard is, is het volstrekt onjuist dat er in het maatschappelijk contract sprake is van een afstaan van rechten door de individuen, en dat hun situatie door dit contract daadwerkelijk beter is dan voorheen, en dat zij, in plaats van een vervreemding, ze een voordelige ruil hebben verricht: van een onzekere en precaire levenswijze tegen een betere en zekerder, van natuurlijke onafhankelijkheid tegen vrijheid, van de macht om anderen schade te berokkenen tegen hun eigen veiligheid, en van hun kracht – die anderen konden overwinnen – tegen een recht dat door de maatschappelijke eenheid onoverwinnelijk wordt. Zelfs hun leven, gewijd aan de staat, wordt daardoor voortdurend beschermd, en wanneer zij het ter verdediging ervan op het spel zetten, wat doen zij dan anders dan de staat teruggeven wat zij van hem hebben ontvangen? Wat doen zij anders dan wat zij in de natuurtoestand vaker en met groter gevaar zouden doen, wanneer zij in onvermijdelijke gevechten met gevaar voor eigen leven datgene zouden verdedigen wat hen in staat stelt hun leven te behouden? Iedereen moet indien nodig voor het vaderland strijden, dat is waar; maar niemand hoeft ooit voor zichzelf te strijden. Winnen we er niet bij dat we nu al een deel van de risico’s nemen die we zouden lopen zodra onze veiligheid ons zou worden ontnomen?
Men vraagt zich af hoe individuen, die geen recht hebben om over het eigen leven te beschikken, datzelfde recht, dat zij niet hebben, aan de soeverein kunnen overdragen? Deze vraag lijkt moeilijk te beantwoorden omdat ze verkeerd is gesteld. Ieder mens heeft het recht zijn leven op het spel te zetten om het te behouden. Is er ooit gezegd dat iemand die uit een raam springt om aan een brand te ontsnappen, schuldig is aan zelfmoord? Is deze misdaad ooit ten laste gelegd aan iemand die omkomt in een storm waarvan bij het inschepen dat gevaar gekend was?
Het maatschappelijk contract heeft tot doel de contractpartijen in leven te houden. Wie het doel nastreeft, aanvaardt ook de middelen, en deze middelen zijn onlosmakelijk verbonden met bepaalde risico’s, ja zelfs met verliezen. Wie zijn leven ten koste van anderen wil behouden, moet het ook voor hen opofferen wanneer dat nodig is. Welnu, de burger is niet langer de rechter over het gevaar waaraan de wet hem wil blootstellen, en wanneer de vorst hem heeft gezegd: “Het is in het belang van de staat dat je sterft”, dan moet hij sterven; want alleen onder die voorwaarde heeft hij tot dan toe in veiligheid geleefd en is zijn leven niet langer een zegen van de natuur, maar een voorwaardelijke gave van de staat.
De doodstraf aan misdadigers opgelegd, kan min of meer vanuit hetzelfde standpunt worden bekeken: men stemt ermee in te sterven als men het slachtoffer van een moordenaar wordt, juist om zelf niet het slachtoffer van een moordenaar te worden. In dit contract gaat het er geenszins om over het eigen leven te beschikken, maar uitsluitend om het te waarborgen, en er valt niet aan te nemen dat een van de contractpartijen op dat moment van plan is zich te laten ophangen.
Bovendien wordt elke misdadiger die het maatschappelijk recht schendt door zijn misdaden een rebel en een verrader van het vaderland; hij houdt op lid te zijn door de wetten ervan te overtreden en voert zelfs oorlog tegen het vaderland. Dan is het voortbestaan van de staat onverenigbaar met het zijne; een van beiden moet dood, en wanneer men de schuldige ter dood brengt, is dat niet als burger, wel als vijand. De procedures en het vonnis zijn het bewijs en de verklaring dat hij het maatschappelijk contract heeft verbroken, bijgevolg dat hij geen lid meer is van de staat. Maar aangezien hij zich als zodanig heeft erkend, althans door zijn verblijf, moet hij worden uitgesloten door verbanning als overtreder van het pact, of door de dood als openlijke vijand; want zo’n vijand is geen rechtspersoon, het is een mens, en dan is het recht van de oorlog, om de overwonnen vijand te doden.
Maar, zal men zeggen, de veroordeling van een misdadiger is een bijzondere daad. Daar ben ik het mee eens; deze veroordeling behoort dan ook niet tot de bevoegdheid van de soeverein; het is een recht dat hij kan opdragen zonder het zelf te moeten uitoefenen. Al mijn ideeën sluiten op elkaar aan, maar ik kan ze niet allemaal tegelijk uiteenzetten.
Overigens is het veelvuldig toepassen van de doodstraf altijd een teken van zwakte of luiheid bij de regering. Er is geen enkele slechterik die men niet tot iets goeds zou kunnen maken. Men heeft alleen het recht om iemand ter dood te brengen, zelfs ter afschrikking, als men hem niet zonder gevaar kan in leven laten.
Wat het recht van gratie betreft, of een schuldige vrij te stellen van de straf, door de wet voorgeschreven en door de rechter uitgesproken, komt dit recht uitsluitend toe aan degene die boven de rechter en de wet staat, dat wil zeggen aan de soeverein; toch is zijn recht hierin niet geheel duidelijk, en zijn de gevallen waarin hiervan gebruik wordt gemaakt zeer zeldzaam. In een goed bestuurde staat zijn er weinig straffen, niet omdat er veel gratie wordt verleend, maar omdat er weinig misdadigers zijn: de overvloed aan misdaden zorgt ervoor dat deze ongestraft blijven wanneer de staat in verval raakt. Onder de Romeinse republiek hebben noch de senaat, noch de consuls ooit geprobeerd gratie te verlenen: zelfs het volk deed dat niet, hoewel het soms zijn eigen oordeel herriep. Frequente gratieverleningen zijn een voorbode dat er binnenkort geen gratie meer nodig zal zijn, en iedereen ziet waar dat toe leidt. Maar ik voel dat mijn hart mort en mijn pen tegenwerkt; laten we deze kwesties overlaten aan de rechtvaardige man die nooit heeft gefaald en die zelf nooit gratie nodig heeft gehad.
Door het maatschappelijk contract hebben wij het staatsapparaat tot bestaan en leven gebracht: nu gaat het erom het door middel van wetgeving, beweging en wil te geven. Want de oorspronkelijke daad waardoor dit apparaat wordt gevormd en verenigd, bepaalt nog niets van wat het moet doen om zichzelf in stand te houden.
Wat goed is en in overeenstemming met de orde, is dat door de aard der dingen en onafhankelijk van menselijke overeenkomsten. Alle rechtvaardigheid komt van God; Hij alleen is de bron; maar als we die rechtvaardigheid vanuit die hoge bron zouden weten te ontvangen, zouden we noch een regering, noch wetten nodig hebben. Er bestaat ongetwijfeld een universele rechtvaardigheid die uitsluitend uit de rede voortkomt; maar om onder ons aanvaard te worden, moet die rechtvaardigheid wederzijds zijn. Als we de zaken vanuit menselijk oogpunt bekijken, zijn de wetten van de gerechtigheid onder de mensen zinloos bij gebrek aan een natuurlijke sanctie; ze werken alleen maar in het voordeel van de slechte en ten nadele van de rechtvaardige, wanneer deze zich er samen met iedereen aan houdt, terwijl niemand anders zich eraan houdt. Er zijn dus overeenkomsten en wetten nodig om rechten aan plichten te koppelen en de rechtvaardigheid op haar doel te richten. In de natuurtoestand, waar alles gemeenschappelijk is, ben ik niets verschuldigd aan wie ik niets heb beloofd; ik erken alleen datgene als eigendom van anderen wat voor mijzelf nutteloos is. Zo is het niet in de burgerlijke toestand, waar alle rechten bij wet zijn vastgelegd.
Maar wat is een wet? Zolang men zich ermee tevredenstelt om aan dit woord alleen metafysische ideeën te verbinden, zal men blijven redeneren zonder elkaar te begrijpen, en wanneer men heeft gezegd wat een natuurwet is, zal men nog steeds niet beter weten wat een staatswet is.
Ik heb al gezegd dat er geen algemene wil bestaat met betrekking tot een specifiek onderwerp. Dit specifieke onderwerp bevindt zich immers binnen of buiten de staat. Als het buiten de staat ligt, is het een wil die er vreemd aan is, ten opzichte van dat onderwerp niet algemeen; en als dit onderwerp binnen de staat ligt, maakt het er deel van uit: dan ontstaat er tussen het geheel en het deel een verhouding die er twee afzonderlijke entiteiten van maakt, waarvan het deel het ene is, en het geheel minus datzelfde deel het andere. Maar het geheel minus een deel is niet het geheel, en zolang deze verhouding bestaat, is er geen geheel, maar zijn er twee ongelijke delen; waaruit volgt dat de wil van het ene deel evenmin algemeen is ten opzichte van het andere.
Maar wanneer het gehele volk over het gehele volk beslist, ziet het alleen zichzelf, en als er dan een verhouding ontstaat, is dat van het gehele object vanuit het ene gezichtspunt tot het gehele object vanuit een ander gezichtspunt, zonder enige verdeling van het geheel. Dan is de materie waarover beslist wordt algemeen, net als de wil die beslist. Deze handeling noem ik een wet.
Als ik zeg dat het voorwerp van de wetten altijd algemeen is, bedoel ik dat de wet de onderdanen als geheel en de handelingen als abstracte begrippen beschouwt, nooit een mens als individu noch een bepaalde handeling. De wet kan dus wel bepalen dat er voorrechten zullen zijn, maar zij kan deze niet aan een bepaalde persoon toekennen; de wet kan verschillende klassen van burgers instellen, zelfs de hoedanigheden vaststellen die recht geven op het behoren tot deze klassen, maar zij kan niet deze of gene aanwijzen om te worden toegelaten; zij kan een koninklijke regering en een erfelijke troonopvolging instellen, maar zij kan geen koning kiezen, noch een koninklijke familie benoemen; kortom, elke functie die betrekking heeft op een individueel voorwerp behoort niet tot de wetgevende macht.
Vanuit dit idee wordt onmiddellijk duidelijk dat men zich niet langer hoeft af te vragen aan wie het toekomt wetten te maken, aangezien dit daden van de algemene wil zijn; noch of de vorst boven de wetten staat, aangezien hij lid is van de staat; noch of de wet onrechtvaardig kan zijn, aangezien niemand onrechtvaardig is jegens zichzelf; noch hoe men vrij is en tegelijkertijd aan de wetten onderworpen, aangezien deze slechts een weergave zijn van onze wil.
We zien nogmaals dat, aangezien de wet de universaliteit van de wil en die van het object verenigt, wat een mens, wie hij ook moge zijn, op eigen gezag beveelt, geen wet is; wat zelfs de soeverein met betrekking tot een bepaald object beveelt, is evenmin een wet, maar een decreet, en geen daad van soevereiniteit, maar van bestuur.
Ik noem dus elke staat die door wetten wordt bestuurd een republiek, ongeacht de vorm van bestuur: want alleen dan regeert het algemeen belang en is de openbare zaak iets van betekenis. Elke legitieme regering is republikeins. [Ik bedoel met dit woord niet alleen een aristocratie of een democratie, maar in het algemeen elke regering die wordt geleid door de algemene wil, die de wet is. Om legitiem te zijn, mag de regering niet worden verward met de soeverein, maar moet zij diens dienaar zijn: dan is zelfs de monarchie een republiek. Dit zal in het volgende boek worden verduidelijkt.] Ik zal hierna uitleggen wat een regering is.
Wetten zijn strikt genomen de voorwaarden van de burgermaatschappij. Het volk dat aan de wetten onderworpen is, moet er de opsteller van zijn; het is uitsluitend aan degenen die zich verenigen om de voorwaarden van de samenleving vast te stellen; maar hoe zullen zij die vaststellen? Zal dat in onderlinge overeenstemming gebeuren, door een plotselinge ingeving? Heeft het staatsapparaat een orgaan om zijn wil kenbaar te maken? Wie zal het de nodige vooruitziendheid geven om besluiten op te stellen en deze van tevoren bekend te maken, of hoe zal het deze uitspreken op het moment dat het nodig is? Hoe zou een blinde menigte, die vaak niet is wat zij wil, omdat zij zelden ziet wat goed voor haar is, uit eigen beweging een onderneming kunnen uitvoeren die zo groot en zo moeilijk is als een wetgevingssysteem? Het volk wil van nature altijd het goede, maar ziet dat niet altijd zelf in. De algemene wil is altijd rechtvaardig, maar het oordeel dat haar leidt, is niet altijd verlicht. Men moet haar de zaken laten zien zoals ze zijn, soms zoals ze haar moeten voorkomen, haar de juiste weg wijzen die zij zoekt, haar beschermen tegen de verleidingen van individuele belangen, het verschil tussen plaats en tijd voor ogen stellen, en de aantrekkingskracht van huidige en tastbare voordelen afwegen tegen het gevaar van verre en verborgen kwaden. Individuen zien het goede dat zij verwerpen; het publiek wil het goede dat het niet ziet. Allen hebben evenzeer gidsen nodig. De enen moeten worden gedwongen hun wil in overeenstemming te brengen met hun verstand; de anderen moeten leren te weten wat zij willen. Uit deze verlichting vloeit dus de eenheid van verstand en wil binnen de samenleving voort, vandaar de naadloze samenwerking tussen de verschillende delen, en ten slotte de grootste kracht van het geheel. Vandaar ontstaat de noodzaak van een wetgever.
Om de beste maatschappelijke regels te ontdekken — geschikt voor naties — zou een superieur verstand nodig zijn, dat alle menselijke hartstochten doorziet en zelf er niet vatbaar voor is, dat geen enkele band met onze natuur heeft en deze toch grondig kent, waarvan het geluk onafhankelijk is van ons, en dat zich niettemin graag met het onze zou willen bezighouden; kortom, die, terwijl hij zich in de loop der tijden een verre roem verwierf, in het ene tijdperk kon werken en in het andere genieten. [Een volk wordt pas beroemd wanneer zijn wetgeving in verval komt. Men weet niet hoeveel eeuwen de organisatie van Lycurgus het geluk van de Spartanen verzekerde, voordat er in de rest van Griekenland over hen werd gesproken.] Er zijn goden nodig om de mensen wetten te geven.
Dezelfde redenering die Caligula hanteerde met betrekking tot de feiten, hanteerde Plato met betrekking tot het recht om de burgerlijke of koninklijke mens te definiëren die hij zoekt in zijn boek over het koningschap; maar als het waar is dat een groot vorst een zeldzame man is, wat zal dan een groot wetgever zijn? De eerste hoeft slechts het model te volgen dat de andere moet voorstellen. De ene is de monteur die de machine uitvindt, de andere is de arbeider die haar in elkaar zet en laat draaien. Bij het ontstaan van samenlevingen, zo zegt Montesquieu, zijn het de leiders van de republieken die de instelling tot stand brengen, en vervolgens is het de instelling die de leiders van de republieken vormt.
Wie het aandurft een volk te organiseren, moet zich in staat achten om, bij wijze van spreken, de menselijke natuur te veranderen; elk individu, dat op zichzelf een volmaakt en op zichzelf staand geheel is, te veranderen in een deel van een groter geheel, waaruit dit individu als het ware zijn leven en zijn bestaan ontleent; de aard van de mens te wijzigen om deze te versterken; het fysieke en onafhankelijke bestaan dat wij allen van de natuur hebben ontvangen, te vervangen door een gedeeld en moreel bestaan. Kortom, hij moet de mens zijn eigen krachten ontnemen om hem krachten te geven die hem vreemd zijn en waarvan hij geen gebruik kan maken zonder de hulp van anderen. Hoe meer deze natuurlijke krachten zijn uitgedoofd en tenietgedaan, hoe groter en duurzamer de verworven krachten zijn, en des te steviger en volmaakter is de instelling: zodat, indien elke burger niets is en niets kan zonder alle anderen, en de door het geheel verworven kracht gelijk is aan of groter is dan de som van de natuurlijke krachten van alle individuen, kan men zeggen dat de wetgeving het hoogste punt van volmaaktheid heeft bereikt dat zij kan bereiken.
De wetgever is in alle opzichten een buitengewone mens binnen de staat. Als hij dat al is vanwege zijn genie, dan is hij dat niet minder vanwege het ambt. Het is geen rechterlijke overheid, het is geen soevereiniteit. Dit ambt, dat de republiek vormt, maakt geen deel uit van de grondwet: het is een bijzondere en superieure functie die niets gemeen heeft met het menselijk zijn [l’empire humain]; want zoals degene die over mensen heerst niet over de wetten mag heersen, zo mag degene die over de wetten heerst evenmin over de mensen heersen; anders zouden zijn wetten, als dienaren van zijn hartstochten, vaak slechts zijn onrechtvaardigheden bestendigen, en zou hij nooit kunnen voorkomen dat persoonlijke belangen de heiligheid van zijn werk zouden aantasten.
Toen Lycurgus aan zijn vaderland wetten gaf, begon hij met afstand te doen van het koningschap. Het was de gewoonte in de meeste Griekse steden om het opstellen van hun wetten aan vreemdelingen toe te vertrouwen. De moderne republieken van Italië volgden dit gebruik vaak; die van Genève ook en dat bleek goed te zijn. [Zij die Calvijn slechts als theoloog beschouwen, kennen de reikwijdte van zijn genie niet. Het opstellen van onze wijze edicten, waaraan hij in hoge mate heeft bijgedragen, strekt hem evenzeer tot eer als zijn instituties. Welke omwenteling de tijd ook in onze godsdienst moge teweegbrengen, zolang de liefde voor het vaderland en de vrijheid onder ons niet is gedoofd, zal de herinnering aan deze grote man altijd een zegen blijven.] Rome zag in zijn bloeitijd alle misdaden van de tirannie in zijn midden herleven en stond op het punt ten onder te gaan, omdat het de wetgevende macht en de soevereine macht in dezelfde handen had verenigd.
Toch hebben de decemviri zich nooit het recht toegeëigend om op eigen gezag enige wet aan te nemen. “Niets van wat wij u voorstellen”, zeiden zij tegen het volk, “kan tot wet worden verheven zonder uw instemming. Romeinen, wees zelf de opstellers van de wetten die uw geluk moeten bewerkstelligen.”
Degene die de wetten opstelt, heeft dus geen wetgevend recht, noch mag hij dat hebben, en zelfs het volk kan, zelfs als het dat zou willen, zich dit onvervreemdbare recht niet ontnemen; want volgens het grondverdrag is het alleen de algemene wil die de individuen bindt, en kan men er nooit zeker van zijn dat een individuele wil in overeenstemming is met de algemene wil, dan nadat deze aan de vrije stemming van het volk is onderworpen: ik heb dit al gezegd, maar het is niet overbodig om het te herhalen.
Zo vinden we in het wetgevende werk twee zaken die onverenigbaar lijken: een opdracht die de menselijke kracht te boven gaat, en om die uit te voeren, een gezag dat niets is.
Er is een andere moeilijkheid die aandacht verdient. De wijzen die tot het volk willen spreken in hun eigen taal in plaats van die van het volk, zij zouden niet begrepen worden. Er zijn echter duizend soorten ideeën die onmogelijk in de taal van het volk kunnen worden vertaald. Te algemene visies en te verafgelegen zaken liggen eveneens buiten het bereik; aangezien elk individu geen ander regeringsplan waardeert dan dat wat betrekking heeft op zijn eigenbelang, ziet hij moeilijk de voordelen in die hij zou moeten halen uit de voortdurende ontberingen die goede wetten opleggen. Opdat een ontluikend volk de gezonde politieke stelregels zou kunnen waarderen en de fundamentele regels van de staatsraison zou kunnen volgen, zou het gevolg de oorzaak moeten worden, zou de maatschappelijke geest – die het werk van de instelling moet zijn – de instelling zelf moeten leiden, en zouden de mensen vóór de wetten al moeten zijn wat zij door die wetten moeten worden. Aangezien de wetgever dus noch geweld noch redenering kan aanwenden, is het noodzakelijk dat hij zijn toevlucht neemt tot een autoriteit van een andere orde, die zonder geweld kan meeslepen en zonder te overtuigen kan overhalen.
Dit is wat de vaderen der naties van oudsher ertoe heeft gedwongen een beroep te doen op de tussenkomst van de hemel en de goden te eren met hun eigen wijsheid, opdat de volkeren, die zich zowel aan de wetten van de staat als aan die van de natuur onderwerpen en dezelfde macht erkennen in de schepping van de mens als in die van de staat, in vrijheid gehoorzamen, en het juk van het algemeen welzijn geduldig zouden dragen.
Deze verheven rede, uitstijgend boven het begrip van de gewone mensen, is die waarvan de wetgever de beslissingen in de mond van de onsterfelijken legt, om door goddelijke autoriteit diegenen te overtuigen die anders door menselijke voorzichtigheid niet te bewegen zijn. [E veramente, zegt Machiavelli, mai non fù alcuno ordinatore di leggi straordinarie in un popolo, che non ricorresse à Dio, perche altrimenti non sarebbero accettate; perche sono molti beni conosciuti da uno prudente, i quali non hanno in se raggioni evidenti da potergli persuadere ad altrui. Discorsi sopra Tito Livio. L. I. c. XI.] Maar het is niet aan ieder mens om de goden te laten spreken, noch om te worden geloofd wanneer hij zich als hun tolk voordoet. De grote ziel van de wetgever is het ware wonder dat zijn missie moet bewijzen. Iedereen kan stenen tafelen graveren, of een orakel kopen, of doen alsof hij in het geheim met een of andere godheid communiceert, of een vogel africhten om hem in het oor te fluisteren, of andere grove middelen vinden om het volk te misleiden. Wie niet meer kan dan dat, zal misschien bij toeval een groep dwazen bijeenbrengen, maar hij zal nooit een rijk stichten, en zijn buitengewoon werk zal spoedig met hem ten onder gaan. IJdele schijn vormt een vluchtige band; alleen wijsheid maakt die duurzaam. De nog steeds bestaande Joodse wet, die van het kind van Ismaël die al tien eeuwen lang de helft van de wereld regeert, getuigt ook vandaag nog van de grote mannen die ze hebben opgesteld; en terwijl de hoogmoedige filosofie of de blinde partijgeest in hen slechts gelukkige bedriegers ziet, bewondert de ware politicus in hun instellingen dat grote en machtige genie dat aan de basis ligt van duurzame instituties.
Hieruit mag men niet, net als Warburton, concluderen dat politiek en religie bij ons een gemeenschappelijk doel hebben, maar wel dat bij het ontstaan van naties de ene als instrument voor de andere dient.
Net zoals de architect, voordat hij een groot bouwwerk opricht, de grond herhaaldelijk observeert en onderzoekt of deze het gewicht kan dragen, zo begint de wijze wetgever niet met het opstellen van wetten die op zichzelf goed zijn, maar onderzoekt hij eerst of het volk waarvoor hij ze bestemt, in staat is ze te dragen. Daarom weigerde Plato wetten te geven aan de Arcadiërs en de Cyreniërs, wetende dat deze twee volkeren rijk waren en geen gelijkheid konden verdragen; daarom zien we op Kreta goede wetten en slechte mensen, omdat Minos een volk had gedisciplineerd dat vol ondeugden zat.
Duizenden volkeren hebben op aarde geschitterd die goede wetten nooit zouden hebben kunnen verdragen, en zelfs de volkeren die dat wel hadden gekund, hebben gedurende hun hele bestaan maar een zeer korte periode gehad om dat te doen. De meeste volkeren, net als mensen, zijn alleen in hun jeugd volgzaam; naarmate ze ouder worden, worden ze onverbeterlijk; wanneer de gewoonten eenmaal zijn ingeburgerd en de vooroordelen diep geworteld, is het een gevaarlijke en vergeefse onderneming om ze te willen hervormen; het volk kan het zelfs niet verdragen dat men zijn kwalen aanraakt om ze te vernietigen, net als die dwaze en moedeloze zieken die huiveren bij het zien van de dokter.
Het is niet zo dat, net zoals sommige ziekten het menselijk verstand in de war brengen en hen de herinnering aan het verleden ontnemen, dat er in de loop van de geschiedenis van staten soms geen gewelddadige periodes voorkomen waarin revoluties met de volkeren doen wat bepaalde crises met individuen doen, waarin de afschuw voor het verleden in de plaats komt van vergetelheid, en waarin de staat, in vuur en vlam door burgeroorlogen, als het ware uit zijn as herrijst en de kracht van de jeugd terugkrijgt door zich uit de greep van de dood te bevrijden. Zo was Sparta in de tijd van Lycurgus, zo was Rome na de Tarquijnen, en zo waren bij ons Nederland en Zwitserland na de verdrijving van de tirannen.
Maar dergelijke gebeurtenissen zijn zeldzaam; het zijn uitzonderingen waarvan de oorzaak altijd te vinden is in de bijzondere grondwet van de betreffende staat. Ze zouden zelfs niet twee keer bij hetzelfde volk kunnen plaatsvinden, want het kan zich bevrijden zolang het nog barbaars is, maar dat kan het niet meer wanneer het burgerlijk gezag is uitgeput. Dan kunnen de onrusten het volk vernietigen zonder dat revoluties het weer kunnen herstellen, en zodra zijn ketenen zijn verbroken, valt het uiteen en bestaat het niet meer: het heeft voortaan een meester nodig en geen bevrijder. Vrije volkeren, onthoud deze stelregel: vrijheid kan worden veroverd, maar nooit herwonnen.
Jeugd is niet hetzelfde als kindertijd. Voor naties geldt, net als voor mensen, een tijd van jeugd, of zo men wil, van volwassenheid, die men moet afwachten, voor men hen aan wetten onderwerpt; maar de volwassenheid van een volk is niet altijd gemakkelijk te herkennen, en als men er te snel op vooruitloopt, is het werk mislukt. Het ene volk is vanaf het begin disciplineerbaar, het andere niet, zelfs na tien eeuwen nog niet. De Russen zullen nooit echt beschaafd zijn, omdat ze dat te vroeg zijn geworden. Peter [de Grote] had een imitatief genie; hij had niet het ware genie, dat alles uit het niets schept en maakt. Sommige dingen die hij deed, waren goed, maar de meeste waren misplaatst. Hij zag dat zijn volk barbaars was, maar hij zag niet in dat het nog niet rijp was voor beschaving; hij wilde het beschaven terwijl het alleen maar gehard moest worden. Hij wilde er eerst Duitsers en Engelsen van maken, terwijl hij er eerst Russen van had moeten maken; hij heeft zijn onderdanen belet ooit te worden wat ze hadden kunnen zijn, door hen ervan te overtuigen dat ze waren wat ze niet zijn. Zo vormt een Franse privéleraar zijn leerling, om in zijn kindertijd te schitteren en daarna nooit iets te worden. Het Russische Rijk zal Europa willen onderwerpen en zal zelf onderworpen worden. De Tataren, zijn onderdanen of zijn buren, zullen zijn meesters en de onze worden: deze omwenteling lijkt mij onvermijdelijk. Alle koningen van Europa werken samen om dit te bespoedigen.
Net zoals de natuur grenzen heeft gesteld aan de lichaamslengte van een normaal gebouwde mens, waarboven zij alleen nog reuzen of dwergen voortbrengt, zo zijn er ook, wat de optimale samenstelling van een staat betreft, grenzen aan de omvang die deze kan hebben, opdat hij niet te groot zou zijn om goed bestuurd te worden, noch te klein om zichzelf in stand te houden. Elk politiek lichaam heeft een maximale kracht die het niet kan overschrijden, en waarvan het vaak afwijkt naarmate het groter wordt. Hoe meer de maatschappelijke band zich uitbreidt, hoe meer deze verzwakt, en over het algemeen is een kleine staat proportioneel sterker dan een grote.
Duizenden redenen bevestigen deze stelregel. Ten eerste wordt het bestuur moeilijker naarmate de afstanden groter worden, net zoals een gewicht zwaarder wordt aan het einde van een lange hefboom. Het wordt ook duurder naarmate het aantal bestuursniveaus toeneemt; want elke stad heeft eerst haar eigen bestuur, betaald door het volk, elk district heeft het zijne ook eveneens door het volk betaald, vervolgens elke provincie, daarna de grote gouvernementen, de satrapieën, de landvoogden, die steeds duurder worden naarmate men opklimt, en altijd ten koste van het ongelukkige volk; ten slotte komt het hoogste bestuur, dat alles verplettert. Zoveel extra lasten putten de onderdanen voortdurend uit; verre van beter bestuurd te worden door al deze verschillende instanties, worden zij slechter bestuurd dan wanneer er slechts één boven hen zou staan. Toch blijven er nauwelijks middelen over voor buitengewone gevallen, en wanneer men daar een beroep op moet doen, staat de staat altijd op de rand van de ondergang.
Dat is nog niet alles; niet alleen treedt de regering minder krachtig en snel op om de wetten te handhaven, pesterijen te voorkomen, misstanden te corrigeren en opstandige acties te voorkomen die zich op afgelegen plaatsen kunnen voordoen; maar het volk koestert ook minder genegenheid voor zijn leiders, die het nooit ziet, voor het vaderland, dat in zijn ogen de hele wereld is, en voor zijn medeburgers, van wie de meesten hem vreemden zijn. Dezelfde wetten kunnen niet geschikt zijn voor zoveel uiteenlopende provincies die verschillende zeden hebben, die onder tegengestelde klimaten leven en die niet dezelfde regeringsvorm kunnen verduren. Verschillende wetten leiden alleen maar tot onrust en verwarring onder volkeren die, onder dezelfde leiders en in voortdurend contact met elkaar, bij elkaar over en weer reizen of met elkaar trouwen, en die, onderworpen aan andere gewoonten, nooit zeker weten of hun erfgoed wel echt het hunne is. Talenten blijven verborgen, deugden genegeerd, ondeugden blijven ongestraft in deze menigte die elkaar niet kennen en door het hoogste bestuursorgaan op één plek worden bijeengebracht. De leiders, overweldigd door zaken, zien zelf niets; ambtenaren besturen de staat. Ten slotte nemen de maatregelen die moeten worden genomen om het algemene gezag te handhaven – waaraan zoveel verafgelegen ambtenaren zich willen onttrekken of dat willen ondermijnen – alle publieke aandacht in beslag, er blijft niets meer over voor het geluk van het volk, er blijft nauwelijks iets over voor zijn verdediging indien nodig, en zo stort een lichaam — te groot voor zijn constitutie — in en gaat ten onder, verpletterd onder zijn gewicht.
Toch moet de staat zichzelf een basis verschaffen om stevigheid te hebben, om de schokken te weerstaan die hij zal ondervinden en de inspanningen die hij zal moeten leveren om zichzelf in stand te houden: want alle volkeren bezitten een soort centrifugale kracht, waardoor zij voortdurend tegen elkaar werken en ernaar streven zich ten koste van hun buren uit te breiden, zoals de wervelingen van Descartes. Zo lopen de zwakken het risico te worden opgeslokt, en niemand kan zich werkelijk handhaven dan door zich met allen in een soort evenwicht te plaatsen, waardoor de druk overal min of meer gelijk blijft.
Hieruit blijkt dat er redenen zijn om uit te breiden en redenen om in te krimpen, en het is niet het kleinste talent van de politicus om tussen beide de verhouding te vinden die het meest gunstig is voor het behoud van de staat. In het algemeen kan worden gesteld dat de eerste redenen, die uiterlijk en relatief zijn, ondergeschikt moeten zijn aan de andere, die intern en absoluut zijn; een gezonde en sterke staatsinrichting is het eerste waarnaar men moet streven, en men moet meer rekenen op de kracht die voortkomt uit een goed bestuur dan op de middelen dat een groot grondgebied oplevert.
Overigens zijn er staten geweest die zo waren ingericht dat de noodzaak tot veroveringen in hun grondwet was verankerd en dat zij, om te kunnen voortbestaan, gedwongen waren zich voortdurend uit te breiden. Misschien waren zij blij met deze noodzaak, die hun echter, samen met het einde van hun grootheid, het onvermijdelijke moment van hun ondergang liet zien.
Een politieke eenheid kan op twee manieren worden gemeten, namelijk aan de hand van de omvang van het grondgebied en aan de hand van het aantal inwoners, en tussen deze twee maatstaven bestaat een passende verhouding die de staat zijn ware grootte geeft: het zijn de mensen die de staat vormen, en het is het land dat de mensen voedt; deze verhouding houdt dus in dat het land voldoende is voor het onderhoud van zijn inwoners en dat er evenveel inwoners zijn als het land kan voeden. In deze verhouding ligt de maximale kracht van een bepaald aantal inwoners; want als er te veel land is, is het onderhoud ervan te duur, de gewassen onvoldoende en de producten overbodig; dit is de directe oorzaak van verdedigingsoorlogen; als er niet genoeg grond is, is de staat voor het tekort overgeleverd aan de willekeur van zijn buren; dit is de directe oorzaak van aanvalsoorlogen. Elk volk dat door zijn ligging slechts de keuze heeft tussen handel of oorlog, is op zichzelf zwak; het is afhankelijk van zijn buren, het is afhankelijk van de gebeurtenissen; het kent een onzeker en kort bestaan. Het onderwerpt anderen en verandert van situatie, of het wordt onderworpen en is niets. Het kan zich alleen vrij houden door kleinheid of door grootheid.
Men kan geen vaste verhouding berekenen tussen de omvang van het land en het aantal mensen dat in elkaars behoeften kan voorzien, zowel vanwege de verschillen van de grond, de mate van vruchtbaarheid, de aard van de producten, de invloed van het klimaat, alsook vanwege de verschillen in temperament van de bewoners, van wie sommigen weinig verbruiken in een vruchtbaar land, anderen veel op een onvruchtbare bodem. Er moet ook rekening worden gehouden met de grotere of kleinere vruchtbaarheid van de vrouwen, met de mate waarin het land al dan niet goed is voor de bevolking, en met de mate waarin de wetgever kan hopen hieraan bij te dragen door zijn instellingen; zodat hij zijn oordeel niet moet baseren op wat hij ziet, maar op wat hij voorziet, en zich niet evenzeer moet richten op de huidige toestand van de bevolking als op de toestand die zij van nature zal bereiken. Ten slotte zijn er talloze gevallen waarin de specifieke toevallige omstandigheden van de plaats vereisen of toestaan dat men meer grond neemt dan op het eerste gezicht noodzakelijk lijkt. Zo zal de bevolking zich sterk uitbreiden in een bergachtig gebied, waar de natuurlijke rijkdommen – namelijk bossen en weiden – minder arbeid vergen, waar de ervaring leert dat vrouwen vruchtbaarder zijn dan in de vlakten, en waar een uitgestrekte helling slechts een klein horizontaal oppervlak biedt, het enige dat voor de vegetatie van belang is. Daarentegen kan men zich aan de kust concentreren, zelfs tussen rotsen en bijna onvruchtbaar zand; omdat de visserij daar grotendeels de landopbrengsten kan aanvullen, omdat de mensen dichter bij elkaar moeten wonen om piraten af te weren, en omdat het bovendien gemakkelijker is om het land via de koloniën te ontlasten van de bewoners waarmee het overbevolkt is.
Aan deze voorwaarden voor het stichten van een volk moet er nog één worden toegevoegd die door geen enkele andere kan worden vervangen, maar zonder welke alle andere zinloos zijn; namelijk dat men in overvloed en vrede leeft; want het moment waarop een staat wordt geordend is, net als het moment waarop een bataljon wordt gevormd, het ogenblik waarop het lichaam het minst in staat is tot weerstand en het gemakkelijkst te vernietigen is. Men zou beter weerstand bieden in absolute wanorde dan in een moment van onrust, waarin iedereen zich bezighoudt met zijn eigen positie en niet met het gevaar. Mocht er in deze crisistijd een oorlog, een hongersnood of een opstand uitbreken, dan zal de staat onvermijdelijk ten val komen.
Het is niet zo dat er tijdens dergelijke onrustige tijden niet veel regeringen worden gevormd; maar juist die regeringen zijn het dan die de staat ten gronde richten. De usurpatoren roepen dergelijke tijden van onrust altijd op of kiezen ze uit om, misbruik makend van de algemene angst, afbraak-wetten door te drukken die het volk bij heldere geest nooit zou aannemen. De keuze van het tijdstip van wetgeving is een van de kenmerken waarmee men het werk van de wetgever kan onderscheiden van dat van de tiran.
Welk volk is dan geschikt om wetten te maken? Dat volk dat, hoewel het reeds verbonden is door een band van afkomst, belang of overeenkomst, nog niet het ware juk van de wetten heeft gedragen; het volk dat noch diepgewortelde gewoonten noch bijgeloof kent; het volk dat niet vreest te worden overweldigd door een plotselinge invasie, dat, zonder zich te mengen in de twisten van zijn buren, elk van hen op eigen kracht kan weerstaan, of de hulp van de een kan inroepen om de ander af te weren; degene waarvan elk lid bij iedereen bekend kan zijn, en waar men niet gedwongen is een mens een zwaardere last op te leggen dan een mens kan dragen; degene die zonder andere volkeren kan en waarvan elk ander volk zonder kan; het volk dat noch rijk noch arm is en in zijn eigen behoeften kan voorzien; kortom, het volk dat de standvastigheid van een oud volk combineert met de volgzaamheid van een nieuw volk. [Als van twee naburige volkeren het ene niet zonder het andere zou kunnen, zou dat een zeer moeilijke situatie zijn voor het eerste en zeer gevaarlijk voor het tweede. Elke wijze natie zal in een dergelijk geval snel trachten de andere van deze afhankelijkheid te bevrijden. De republiek Thlascala, ingesloten in het Mexicaanse Rijk, gaf er de voorkeur aan zonder zout te leven, in plaats van het van de Mexicanen te kopen, en zelfs in plaats van het gratis aan te nemen. De wijze Thlascalanen doorzagen de valstrik die achter deze vrijgevigheid schuilging. Zij bleven vrij, en deze kleine staat, ingesloten in dit grote rijk, werd uiteindelijk het instrument van diens ondergang.] Wat het opstellen van wetgeving zo moeizaam maakt, is niet zozeer wat er moet worden vastgelegd, maar wat er moet worden afgeschaft; en wat succes zo zeldzaam maakt, is de onmogelijkheid om de eenvoud van de natuur te verenigen met de behoeften van de maatschappij. Al deze voorwaarden zijn, dat is waar, moeilijk in één geheel te verenigen. Daarom ziet men weinig goed georganiseerde staten.
Er is in Europa nog één land dat in staat is tot wetgeving; dat is het eiland Corsica. De moed en standvastigheid waarmee dit dappere volk zijn vrijheid heeft herwonnen en verdedigd, zouden het zeker verdienen dat een wijs man hen leert hoe ze die kunnen behouden. Ik heb het voorgevoel dat dit kleine eiland op een dag Europa zal verbazen.
Als men onderzoekt wat precies het hoogste goed van allen is – dat het doel van elk rechtsstelsel moet zijn – zal men vaststellen dat dit neerkomt op twee hoofddoelen: vrijheid en gelijkheid. Vrijheid, omdat elke vorm van afhankelijkheid evenveel kracht wegneemt aan het staatsbestel; gelijkheid, omdat vrijheid zonder haar niet kan bestaan.
Ik heb reeds uiteengezet wat burgerlijke vrijheid inhoudt; wat gelijkheid betreft, moet men onder dit begrip niet verstaan dat de mate van macht en rijkdom absoluut gelijk zijn, maar dat macht boven elke vorm van geweld staat en uitsluitend wordt uitgeoefend op grond van rang en wetten; en wat rijkdom betreft, dat geen enkele burger zo rijk is dat hij een ander kan kopen, en niemand zo arm dat hij gedwongen wordt zichzelf te verkopen. [Wilt u de staat dan enige samenhang geven? Breng de uitersten zo dicht mogelijk bij elkaar; tolereer noch de rijken, noch de armen. Deze twee standen, die van nature onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zijn schadelijk voor het algemeen welzijn; uit de ene komen de aanstichters van tirannie, en uit de andere de tirannen; de handel in de openbare vrijheid vindt altijd tussen hen plaats; de een koopt haar en de ander verkoopt.] Dit veronderstelt aan de kant van de rijken matigheid in bezit en krediet, en aan de kant van de armen matigheid in gierigheid en hebzucht.
Deze gelijkheid, zeggen zij, is een speculatieve hersenschim die in de praktijk niet kan bestaan. Maar als misbruik onvermijdelijk is, volgt daar dan uit dat het niet op zijn minst moet worden gereguleerd? Juist omdat de kracht der dingen er altijd toe neigt de gelijkheid te vernietigen, moet de kracht van wetgeving er altijd naar streven deze in stand te houden.
Maar deze algemene doelstellingen van elke goede instelling moeten in elk land worden aangepast aan de omstandigheden die voortvloeien uit zowel de lokale situatie als het karakter van de inwoners; en op basis van deze omstandigheden moet aan elk volk een specifiek institutioneel systeem worden toegewezen, dat het beste is, niet per se op zichzelf, maar voor de staat waarvoor het bestemd is. Is de grond bijvoorbeeld ondankbaar en onvruchtbaar, of is het land te krap voor de inwoners? Richt u dan op de industrie en de kunsten, waarvan u de producten zult ruilen voor de levensmiddelen die ontbreken. Heeft u daarentegen rijke vlaktes en vruchtbare hellingen? Hebt u op vruchtbare grond een tekort aan inwoners? Richt dan al uw aandacht op de landbouw, die de bevolking doet groeien, en verdrijf de kunsten die het land alleen maar verder zouden ontvolken door de weinige inwoners die het heeft op enkele plaatsen van het grondgebied te concentreren. [Geen enkele tak van de buitenlandse handel, aldus de heer d’A**** [Argenson], levert een koninkrijk in het algemeen meer dan een ogenschijnlijk nut op; zij kan weliswaar enkele particulieren, en zelfs enkele steden, verrijken, maar de natie als geheel heeft er niets aan, en het volk is er niet beter van geworden.] Bezit u uitgestrekte en gunstig gelegen kusten? Vul de zee dan met schepen, stimuleer de handel en de scheepvaart; het zal een kort maar roemrijk bestaan leiden. Als de zeekust bestaat uit nauwelijks toegankelijke rotsen? Blijf dan barbaars en visetend; u zult rustiger leven, misschien beter, en zeker gelukkiger. Kortom, naast de beginselen die alle naties gemeen hebben, bezit elke natie iets eigens dat deze beginselen een specifieke invulling geeft en haar wetgeving tot iets geheel eigen maakt. Zo hadden vroeger de Hebreeën en recentelijk de Arabieren de godsdienst als het belangrijkste, de Atheners de letteren, Carthago en Tyrus de handel, Rhodos de zeevaart, Sparta de oorlog en Rome de moed. De auteur van De geest van de wetten heeft aan de hand van talloze voorbeelden aangetoond op welke wijze de wetgever de grondwet op elk van deze doelstellingen afstemt.
Wat een staat werkelijk solide en duurzaam maakt, dat is wanneer de regels zo nauwgezet worden nageleefd dat de natuurlijke verhoudingen en de wetten altijd op dezelfde punten samenvallen en dat deze wetten, om zo te zeggen, de andere bevestigen, begeleiden en bijsturen. Maar als de wetgever zich in zijn doel vergist en een ander uitgangspunt hanteert dan dat wat komt uit de aard der dingen; als het ene uitgaat naar slavernij en het andere naar vrijheid; het ene naar rijkdom, het andere naar bevolkingsgroei; het ene naar vrede, het andere naar veroveringen; dan zullen we zien dat de wetten onmerkbaar verzwakken, de staat verandert en de staat zal voortdurend in onrust verkeren totdat hij vernietigd of veranderd is, en de onoverwinnelijke natuur haar heerschappij weer heeft herwonnen.
Om orde te scheppen in het geheel, of de openbare zaken de best mogelijke vorm te geven, moeten verschillende verhoudingen in aanmerking worden genomen. Ten eerste de activiteit van heel het lichaam op zichzelf, dat wil zeggen de verhouding van het geheel tot het geheel, of van de soeverein tot de staat; en deze verhouding bestaat uit de verhouding tussen de tussenliggende termen, zoals we hierna zullen zien.
De wetten die deze verhouding regelen, worden politieke wetten genoemd, en worden ook wel grondwetten genoemd, niet zonder reden als deze wetten wijs zijn. Want als er in elke staat slechts één goede manier is om deze te ordenen, moet het volk dat deze heeft gevonden zich daaraan houden; maar als de gevestigde orde slecht is, waarom zou men dan wetten als fundamenteel beschouwen die verhinderen dat deze goed wordt? Overigens is een volk, hoe de zaken er ook voorstaan, altijd vrij om zijn wetten te wijzigen, zelfs de beste; want als het zichzelf schade wil toebrengen, wie heeft dan het recht om het daarvan te weerhouden?
De tweede verhouding is die tussen de leden onderling of met het geheel, en deze verhouding moet in het eerste geval zo klein en in het tweede zo groot mogelijk zijn, zodat elke burger volkomen onafhankelijk is van alle anderen en in uiterste afhankelijkheid van de staat; wat altijd op dezelfde wijze tot stand komt, want alleen de kracht van de staat zorgt voor de vrijheid van zijn leden. Uit deze tweede verhouding komen de burgerlijke wetten voort.
Er kan nog een derde soort verhouding tussen de mens en de wet worden genoemd, namelijk die van ongehoorzaamheid aan de straf, en deze leidt tot de invoering van strafwetten, die in wezen niet zozeer een bijzondere soort wetten zijn, als wel de sanctie voor alle andere.
Bij deze drie soorten wetten voegt zich een vierde, de belangrijkste van allemaal, en niet in marmer of in brons gegraveerd, maar in de harten van de burgers; die de ware grondwet van de staat vormt; die elke dag nieuwe kracht krijgt; die, wanneer de andere wetten verouderen of verdwijnen, deze nieuw leven inblaast of vervangt, een volk in de geest van zijn instellingen houdt, en onmerkbaar de macht der gewoonte in de plaats stelt van die van het gezag. Ik spreek over de zeden, de gewoonten en vooral de publieke opinie; een aspect dat onbekend is bij onze politici, maar waarvan het succes van alle andere afhangt; een onderdeel waarmee de grote wetgever zich in het geheim bezighoudt, terwijl hij zich schijnbaar beperkt tot specifieke voorschriften die slechts de boog van het gewelf vormen, waarvan de zeden, die langzamer tot stand komen, uiteindelijk de sluitsteen vormen.
Van deze verschillende categorieën hebben de politieke wetten, die de regeringsvorm bepalen, als enige betrekking op mijn onderwerp.